Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil. zaakvoorstellingen.

subjectieve belangstelling.

bezield, sprookjes.

werkelijkheid.

Knapen- en meisjesleeftijd.

objectieve belangstelling.

waarheid, speelgoed.

geloof aan God.

teekeningen.

De wil is nog heel zwak; ze kunnen zich nog slecht bedwingen.

Tot 7 a 8 jarigen leeftijd hebben de kinderen nog heel weinig goede voorstellingen van de dingen uit hun omgeving. Hiervoor is een heel natuurlijke reden. In den kleinkinderleeftijd zijn ze namelijk nog in de periode der subjectieve belangstelling.

De dingen interesseeren hen alleen in zoover ze er mee kunnen spelen of dat zij ze kunnen opeten of drinken.

Alles wordt nog bezield gedacht en de phantasie heeft bij het waarnemen heel veel invloed. De sprookjes zijn voor hen een ware behoefte en volstrekt geen grooter wonderen dan bijv. een vliegmachine of een trein.

De werkelijkheid heeft nog niet de minste bekoring; een rij blokken is veel mooier, als die een spoortrein voorstelt; de poëzie van Sinterklaas en de ooievaarslegende is een groot genot, dat ze niet gaarne zouden afstaan voor de „waarheid .

Ook 't spreken over Onze lieve Heer en de engelen heeft een groote bekoring.

Geheel in tegenstelling daarmee is de nu volgende periode. De laatste 2 jaren van 12—14 zullen we afzonderlijk bespreken. We krijgen dus nu den leeftijd van 7 tot 12 jaar. Het is het tijdperk van de objectieve belangstelling; nu begint de werkelijkheid het kind te interesseeren. Het vindt niet plotseling maar tóch al vrij gauw de sprookjes kinderachtig. De gebeurtenissen uit de geschiedenis en Indianenverhalen, die op waarheid berusten, kunnen nu veel meer bekoren. De kleine meid, die een jaar te voren 't liefst speelde met een stuk hout en wat lappen, om daar met haar phantasie een pop van te tooveren, heeft nu veel liever een echte pop met werkelijke kleeren. Ue jongens maken zelf pijl en boog en katapult, waarmee ze echt kunnen schieten. Een stokpaardje voldoet niet meer; ze willen op het levende paard van den groenteboer. Sinterklaas wordt naar het rijk der fabeltjes verwezen, ook de ooievaarsgeschiedenis wordt aan critiek onderworpen. En het geloof aan Cod heeft het ook kwaad te verantwoorden. Ze kunnen zich nog geen geestelijke macht denken en stellen zich God dus nog voor als een grijsaard met langen witten baard, zooiets als Sinterklaas. Maar nu meenen verschillende kinderen, dat het spreken over God ook maar geschied is op dezelfde wijze als al die mooie sprookjes. Er kan immers geen man boven de wolken zijn! Bovendien, de goede kinderen worden volstrekt niet altijd beloond en de slechte gestraft. Zelfs jongens, die erg vloeken, blijven ongehinderd hun gang gaan.

De teekeningen zijn lang niet meer zoo gedurfd; de kleintjes zetten er maar alles op; ze zien de gebreken niet, doordat hun phantasie aanvult; in de middelklassen begint de critiek op t eigen werk en de vaardigheid is nog te gering, om veel te durven.

Sluiten