Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verhalen over dieven hebben ook heel wat angst en ongerustheid veroorzaakt.

Onder invloed van 't godsdienstonderwijs hoort men kinderen wel spreken over God als geest, maar ze hebben toch voor hun 14de jaar geen begrip van een geestelijke macht; ze denken er wel eens bij aan een menschelijke gedaante van damp, nevel.

Veel behoefte aan godsdienst is er in deze periode niet; de kinderen hebben het te druk met het leeren kennen der werkelijkheid om zich heen; de ouders zorgen voor hen, ze staan nog niet zelfstandig tegenover de moeiten en problemen van het leven. Daarbij komen soms ervaringen, die hen doen betwijfelen, of er wel een rechtvaardige, liefdevolle God is. Het diepere aandoeningsleven van de echte religie ontbreekt hun; ze zijn wel onder den indruk als ze in een kerk komen en plechtige godsdienstige ceremoniën zien, maar in hun gewone leven worden hun handelingen nog niet door een Goddelijk licht geheiligd; ze nemen wel aan, als de ouders werkelijk godsdienstig zijn, dat er een hoogere macht is, en vele kinderen doen ook wel eens een gebed, maar 't is meest om eigen wenschen vervuld te krijgen; als ze iets moeten opofferen terwille van den godsdienst, dan gaat dat nog niet van harte.

Het godsdienstonderwijs, vooral het dogmatisch gedeelte, is vaak een bron van verveling, en de godsdienstonderwijzer moet al een kunstenaar in zijn vak zijn, als hij daarbij de volle belangstelling heeft.

Bij onderzoekingen naar de idealen van kinderen bleek meermalen, dat van de personen, op wie ze gaarne zouden lijken, slechts heel zelden die uit den bijbel werden genoemd.

De aandoeningen door het schoone zijn ook nog weinig ontwikkeld ; bonte, veelkleurige platen vinden ze het mooist; schetterende muziek, de smakelooze kermisversieringen bekoren het kindergemoed; van het natuurschoon genieten ze nog weinig of niets; ook aan de prachtige beeldhouwwerken gaan ze zonder ontroering voorbij.

Kinderen van 12 jaar kan men wel leeren, de zachte kleuren mooier te vinden en den smaak van beschaafde volwassenen te volgen, maar uit zich zelf blijkt daarvan nog weinig. Een enkel versieringsmotiefje op houtsnijwerk moge oorspronkelijk zijn, ze bootsen nog haast alles na en volstrekt niet het eenvoudig mooie.

Vooral na het 10de jaar komen de kinderen er toe, zich tot groepen te vereenigen en zoo gemeenschappelijk wat te ondernemen en terwille van de gemeenschap ook zelf wat op te offeren, ofschoon ook hier het egoïsme nog wel zoo groot fs, dat enkelen, die hun zin niet krijgen, niet mee willen spelen.

De jongens trekken er nu op uit, om samen vechtpartijen te leveren, samen een wedstrijd te organiseeren, samen winst te maken.

godsdienst.

schoonheid.

gemeenschapszin.

Sluiten