Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

linksen.

stotteren, stamelen.

eigenschappen hebben; straf noch opvoeding hebben eenig resultaat en ze zijn als 't ware voorbeschikt om zedelijk te mislukken. Ze stichten ook onder de normale kinderen veel kwaad en moeten daarom vroeg worden afgezonderd in gestichten. Ze weten heel goed, wat geoorloofd is en wat niet, maar de lagere gevoelens overheerschen geheel het handelen.

Bij ongeveer 7°/0 van de bevolking komt linkschheid voor, zoodat elke onderwijzer er mee in aanraking komt. Zooals reeds bij 't hoofdstuk over hersenen en geestelijk leven is meegedeeld, is de oorzaak van rechts- of linkshandigheid te zoeken in een natuurlijke ongelijkwaardigheid der beide hersenhelften. Vanuit de betere helft wordt ook het spreken beheerscht. In den regel gaat het kind aan 't eind van 't eerste levensjaar, als de hersenschors begint te werken, aan een van beide handen de voorkeur geven. Sommigen blijven echter lang twijfelaars en enkelen kunnen links en rechts hun heele leven door vrijwel met dezelfde vaardigheid werken.

De linkshandige, die zich rechts heeft geoefend, staat meestal ver achter bij een rechtshandige. De onderwijzeres bemerkt niet altijd dadelijk, welke kinderen linksch zijn, daar vele ouders vóór het schoolgaan reeds alle middelen in 't werk hebben gesteld, „het mooie handje" te doen gebruiken. Bij 't fröbelen, knippen én 't vrije teekenen gaat de natuur echter wel weer boven de leer en kan men de linkshandigen wel onderscheiden. Deze kinderen zullen links schrijvende, waarschijnlijk beter worden ontwikkeld.

Het stotteren komt ook in elke school voor en neemt van de laagste tot de hoogste klas toe; jongens lijden er veel meer aan dan meisjes. In 't bijzonder geven de p, t en d vooraan de woorden veel moeite. Behandeling door een spraakleeraar geeft in vele gevallen verbetering; dikwijls echter is dit maar van tijdelijken aard. Het is meestal een geestelijk gebrek; de angst, dat ze 't niet goed zullen zeggen, beheerscht hen zoodanig, dat ze 't ook niet kunnen.

Wanneer die angst wordt voorkomen of weggenomen, gaat het gewoonlijk veel beter; men laat daarom het stotterende kind liefst op de voorste bank zitten, zoodat de anderen het niet angstig maken, door het telkens aan te kijken. Verder moedige men zooveel mogelijk aan, zoodat het kind meer zelfvertrouwen krijgt. Begint het te stotteren, dan late men het niet alleen, maar leze onmiddellijk langzaam mee; liever late men fouten toe dan telkens weer van voren te doen beginnen. Rustig de hand op 't hoofd leggen of een hand geven, werkt ook kalmeerend. t Kind moet steeds worden gesuggereerd, dat het wel kan, als het maar langzaam leest, en zooveel mogelijk als een normale lezer worden behandeld.

Sluiten