Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begaafde leerlingen hebben zich in de jeugd overwerkt en werden later zittenblijvers of geestelijke invaliden.

De kinderen uit beschaafde kringen, vooral die van intellectueele ouders, zijn dikwijls die van het volk in de eerste jaren van den schoolleeftijd ver vooruit. Daarom is er veel voor te zeggen, ze in afzonderüjke scholen te vereenigen. Maar dan beslisse niet de rijkdom der ouders doch het intellect der leerlingen.

In dorpen, waar zulks niet mogelijk is, kan men dergelijke kinderen een of twee jaar lang thuis houden en privaades laten geven; ze zijn dan met weinig hulp gauw zoover als de anderen en hebben nog een tijdlang vrijheid, wat lichaam en geest ten goede komt.

Hoe nu deze kinderen uit te zoeken en de achterlijken, dommen, normalen en begaafden in de juiste af deeling te plaatsen?

Men kan reeds bij de toelating op 6 jarigen leeftijd een zekere schifting maken door de leerlingen met de tests te onderzoeken.

Evenwel is het, om vergissingen te voorkomen, gewenscht, ze eerst een jaar lang hetzelfde onderwijs te geven. Aan 't eind van dit eerste schooljaar kan men al beter oordeelen.

Nu worden de zwakken verwijderd en komen in afzonderlijke klassen, waar ze nog eens flink geholpen worden. Kunnen ze dan nog niet meekomen, dan gaan ze aan 't eind van het 2de jaar naar een school voor achterlijken.

Zoo krijgt men al 3 sóórten scholen: de normale, de bijwerken die voor achterlijken. De normalen gaan geregeld door; zittenblijvers gaan naar de bij werkschoten; vandaar kunnen ze in 't gunstigste geval weer naar de normalen overgaan, blijven er in 't gewone geval een zeer eenvoudigen cursus volgen en. gaan in 't ongunstigste geval naar de achterlijken.

De begaafden kunnen bijv. aan 't eind van 't 4de leerjaar worden uitgezocht en naar een afzonderüjke school gaan, waar ze óf meer verwerken óf minder lesuren en meer spel en vrijheid hebben.

Zoo ongeveer doet men in Mannheim met de volksscholen uit de geheele stad.

Men kan op plaatsen, waar te weinig scholen zijn, om dit systeem toe te passen, ook 't Delftsche stelsel nemen. Aan 't eind van 't eerste jaar worden de kinderen in een goede en een mindere helft gesplitst. De minderen gaan öf naar een andere school öf blijven in 't zelfde lokaal, maar ontvangen afzonderlijk onderwijs en wel een eenvoudiger programma dan de goeden. Ieder onderwijzer, die één klasse heeft, kan daar dus twee van maken, die hij afzonderlijk onderricht.

Allerlei moeilijkheden doen zich bij beide systemen voor; de dommen zijn soms maar schijnbaar dom, meer verlegen: de begaafden zijn vaak maar in één vak begaafd; en wat moet men met de grensgevallen?

standen' scholen.

Mannheimer stelsel.

Delftsche stelsel.

Sluiten