Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine klassen.

Natuurlijke geestelijke ontwikkeling.

speelleeftijd.

aanschouwingslessen.

zaakonderwijs.

Als de klassen niet groot zijn, bijv. 20 a 30, en de achterlijken er uit verwijderd kunnen worden of eenige malen blijven Zitten, dan kan men met een normaal programma de kinderen bij elkaar laten, de dommen wat extra helpen en de begaafden wat meer vrij geven en nu en dan wat moeilijker werk. Zoo kan men zonder afzonderlijke scholen Ook nog wel met de verschillen rekening houden.

Om van de verstandelijke opvoeding de beste resultaten te verwachten, doet men wijs, zooveel mogelijk rekening te houden met en aan te sluiten bij den geestelijken groei, zooals die bij een normaal kind plaats heeft.

Evenals de spijzen en dranken dan het best voor t lichaam zijn, als er werkelijk honger en dorst is, zoo zal ook het onderwijs het meest vruchtbaar zijn, als er een werkelijke geestelijke behoefte is, als 't kind voor zulke stof een natuurlijke belangstelling heeft.

Nu hebben we leeren kennen het tijdperk der subjectieve belangstelling tot 7 a 8 jaar en dat der objectieve, dat daarna komt.

Deze twee periodes eischen een geheel verschillend karakter van de verstandelijke opvoeding.

Men heeft zich steeds weer verbaasd over de weinige kennis, die het jonge kind bij zijn komst op school had van de dingen uit zijn omgeving. En men heeft zich ten allen tijde beijverd, om deze leemte te verhelpen door het geven van zoogenaamd aanschouwingsonderwijs, waarbij de namen van voorwerpen uit huis en omgeving en hun onderdeelen, vormen, kleuren en andere eigenschappen werden geleerd. Het bleek echter, dat de kinderen en onderwijzeressen zich bij die lessen zoo verveelden, dat het 'leervak eigenlijk alleen maar in naam bestond. Ook kwam men tot de overtuiging, dat wat met veel moeite nog slecht er in ging, eenige jaren later vanzelf door de kinderen werd gekend.

Toen kwam het zaakonderwijs; de kleintjes moesten nuttige leerstof hebben, die ze na eenige jaren niét maar zoo vanzelt kenden; de onderwijzers moesten hun leeren waar de grondstellen voor woning, kleeding en voedsel wegkomen en hoe ze worden verwerkt. Ze leerden van de houtbewerking, steen- en kalkbereiding, van boter- en kaasmaken, van landbouwgewassen, van allerlei gereedschappen en bedrijven. Ook dit onderwijs past veel beter voor kinderen uit de hoogste dan voor die uit de laagste klassen. 'a ?'f* ... , . . j„

De methodenschrijvers, die met dergelijke stof aankomen in den leeftijd, dat er nog totaal geen behoefte is aan het leeren kennen van de werkelijkheid, hebben met den aard van het jonge kind niet genoeg rekening gehouden. Ze hebben wÜlen zaaien in en oogsten van een bodem, die aan dat zaad nog geen ontkieming kan geven.

Het kind leeft nog in zijn verbeeldingswereld en vindt alleen dat interessant, wat zijn speelbehoefte bevredigt. En alleen heel

Sluiten