Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men eische echter niet, dat de gedachtengang ook schriftelijk heelemaal wordt weergegeven, daar dit een zeer lastige en tijdroovende bezigheid is. Het sommetje 72 — 39 = moet daarom niet aldus worden opgeschreven: 72 — 39 'sas 72 — 30 - 2 — 7 = 42 2 — 7 = 40 - 7 = 33, maar dadelijk met het goede antwoord er achter: 72 — 39 = 33.

Een kind is een actief, beweeglijk wezen; het kan in school bij een minder boeiende les heel slecht rustig en stil met de handen over elkaar zitten; het doet daarom gauw iets verkeerds, zit te spelen of anderen te hinderen. Daarom is het zoo goed, dat we de handen, die toch bezig willen zijn, wat nuttigs te doen geven, dat met de les in verband staat.

Bij een rekenles met de kleintjes kunnen we ze stokjes of kartonnetjes op de bank geven, om daarmee na te leggen, wat één voor de klas vóórdqet. Zoo kunnen ze ook de letters namaken van klei of met den vinger op de bank schrijven. In de hoogere leerjaren kan ieder tijdens de rekenles de gedeeltelijke uitkomsten in een schrift of op de lei schrijven, zooals dat weer door één kind wordt voorgeschreven op 't bord.

Tijdens een les in' het zuiver schrijven kunnen'we telkens afwisselen: eerst een paar voorbeelden op 't bord bespreken en dan dadelijk naschrijven.

Als we de kinderen zóó bezig houden, dan behoeven we veel minder te straffen.

kort opschrijven.

zelfwerkzaamheid.

Hoe boeiender de les, hoe meer belangstelling en hoe beter het opnemen.

Reeds de manier van spreken, de leertoon kan bij den een veel interessanter zijn dan bij den ander; het langzame, zeurderige, lijzige is uit den booze; er moet pittig, flinkop doorgewerkt worden. Natuurlijk zijn hier de opgewektheid van den onderwijzer en zijn gezondheid van groot belang.

Toch kunnen we ook door allerlei opzettelijke middelen en afwisseling in den vorm van aanbieding de les prettiger maken.

De sommetjes 3 + 5, 61 — 38, 6 X 125 enz. kunnen we belangrijk maken, door ze een weinig aan te kleeden: Koos staat vroeg op; hij gaat in den tuin en vindt onder een boom 3 appels; daar ziet hij er nog 5 liggen. Hij kan ze haast niet

bergen, want hij heeft al ? Mina heeft 61 cent gespaard;

ze koopt een mooi zakdoekje voor 38 cent; kan ze nog wel zoo een koopen? In een turfhok kunnen 800 turven liggen; 6 jongens moeten er elk 125 heen brengen; is dat ook te veel?

Bij 't maken van woordjes op de leesplank kan men zeggen: Leg jan, maak er jas van, nu das, nu dak, enz. Maar ook hier kan men elk woordje weer in een zinnetje gebruiken en wat aantrekkelijk maken.

prettig onderwijs.

leertoon, tempo.

aankleeding.

Sluiten