Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de heele klas.

inductie, deductie, analogie.

opschuiving, wisseling.

woorden uit een leesles liever een vraag doen, dan zelf te zeggen wat het beteekent.

Deze vragen moeten dan echter zoo gesteld worden, dat ook het meerendeel van de klas het antwoord kan geven. Als er in een les staat: De grijsaard was heel onbaatzuchtig, dan vragen we niet: Wat is onbaatzuchtig ? maar liever: Dacht de grijsaard alleen aan eigen voordeel of ook aan dat van anderen? Uit het verband, waarin deze zin voorkomt, kan dan bijna ieder 't antwoord geven.

De vragende leervorm kan bijv. in het 6de leerjaar worden toegepast, als de kinderen de geschiedenis voor de tweede maal krijgen,jniet in het 5de, waar we de stof voor 'teerst behandelen.

Waar van zelf weten of vinden geen sprake kan zijn, moeten we dus niet vragen maar mededeelen. Zoo zullen de kleintjes in 't eerste leerjaar ons soms heelemaal niet begrijpen, als we zeggen: Piet loopt, en dan vragen: Wat heb ik eerst gezegd? Met kort vóór- en nadoen kan veel minder tijd verloren gaan.

We richten de vraag tot de heele klas, opdat allen er over nadenken; dan geven we voor dat bedenken even tijd en geven een der kinderen de beurt; niet te lang wachten, dan dwalen de gedachten weer af en schieten we niet op.

We kunnen uit een aantal voorbeelden zelf een regel laten vinden door de kinderen, bijv.: ik stond, hij deed, wie reed. Jan werd, enz.

De verleden tijd heeft geen t. (t Geval met gij komt zelden of nooit voor en kan later als uitzondering worden geleerd).

Deze inductie is zelf vinden en daarom aan te bevelen.

Evenwel kan ze ook veel te veel tijd kosten en dan beter door de deductie worden vervangen. Zoo zullen we 't verschijnsel van de triole in de muziek N niet uit een aantal liederen op 't gehoor afleiden, JJ J maar dadehjk zeggen: als er drie noten door zoo'n boogje en een 3 verbonden worden, dan krijgen ze maar 1 tel, net als anders twee.

Dikwijls is bij het taalonderwijs ook de analogie een zeer geschikte manier van leeren. Zoo bijv. ik leer, ik leerde en analoog daaraan, dus daarom ook: ik antwoord, ik antwoordde.

Als de kinderen een goeden onderwijzer hebben, dan is 't gewenscht, dat ze met hem meegaan naar een volgende klas; het gewennen aan een nieuwen onderwijzer en omgekeerd het leeren kennen van de kinderen door de nieuwe leerkracht kost tijd en werkt belemmerend op 't leeren.

Is de onderwijzer slecht voor zijn taak berekend, dan is verandering natuurlijk zeer gewenscht. Sommige leerkrachten zijn ook speciaal voor de kleintjes, anderen veel meer voor de oudere kinderen geschikt.

Sluiten