Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarheid.

onderwijzers, met weinig tact om orde te houden, kunnen niet voorkomen, dat de kinderen met het heiligste den spot drijven en vloeken. Men doe in deze jaren niet te veel aan godsdienst!

Een enkel gebed, een plechtigheid, een mooi godsdienstig verhaal hebben veel meer invloed op 't gemoed van 't kind.

Zeer verkeerd is het, de kinderen in den waan te brengen, dat bij ernstig bidden hun wenschen wel zullen worden vervuld; dat God dan bijv. zusje wel weer beter zal maken. Ze komen dan vaak bedrogen uit en dat wekt hun twijfel. De ware godsdienstige vraagt niet om wenschve-rvullingen; hij zoekt vergeving en kracht door 't gebed en aanvaardt in vol vertrouwen alle levensleed.

De jaren van 14 tot 20, dus na de lagere school zijn weer van veel grooter belang voor de godsdienstige vorming. Er is nü begrip van een geestelijke Macht en behoefte aan goddelijken steun en leiding. Daarom kunnen middelbare scholen van een bepaalde godsdienstige richting voor dat geloof veel meer doen dan de hoogste leerjaren der lagere school.

Ook op de openbare school zal de onderwijzer, die aan een God gelooft en de overtuiging heeft, dat dit geloof zijn leven heiligt en vermooit, dat hij daardoor alleen sterk staat tegenover de zonde en altruïstisch kan leven, daarvan zoo nu en dan blijk geven aan zijn leerlingen en hen misschien ook een oogenblik onder den indruk brengen en iets voor hun later leven meegeven. Evenzoo is het met godsdienstige liederen, waaraan ze op 12 jarigen leeftijd nog heel weinig hebben, maar die men met het oog op later kan aanleeren, evenals de nationale liederen. Evenwel moet de openbare onderwijzer zich van alle propaganda voor een bepaalden godsdienst onthouden en moet hij elk geloof eerbiedigen, waardoor hij juist zoo kan ijveren voor verdraagzaamheid en onderlinge waardeering, terwijl de christelijke onderwijzer aan een school van een bepaald geloof het voordeel heeft, dat huis en school volkomen één zijn in de opvoeding.

Bij de opvoeding tot waarheid moet men in 't bijzonder rekening houden met den phantasieleeftijd. In de eerste schooljaren zijn de sprookjes nog zoo'n behoéfte voor de kleintjes; het is ontijdig, hun dan reeds de „waarheid" op te dringen. De natuur heeft, ook voor de zedelijke opvoeding, dit verbeeldingstijdperk gewild. En daarom moeten verstandige opvoeders ook die poëzie van sprookjes en Sinterklaas en ooievaarslegende niet verbannen. De waarheid komt gauw genoeg, laat hun phantasie nog smullen aan den „leugen". Ze zullen het den opvoeder nooit ernstig tot een verwijt maken later, dat hij die onwaarheid zoo lang mogelijk handhaafde, maar hem dankbaar zijn voor zooveel onschuldige vreugde.

Sluiten