Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lste GEDEELTE, LANDMETEN.

A. INSTRUMENTEN.

HOOFDSTUK I.

VIZIERINRICHTINGE

N.

tot L Sr uT' Bl) demeeste instrumenten, die dienen tot het meten van hoeken, treft men eene vizierinrichting aan, dat is eene innchtmg, waardoor men in staat is, eene'rechte

b^rekkïï SVf' TIke 6611 b6paalden Stand innemen m betiekkmg tot het meetinstrument, te laten samenvallen met eene bepaalde lijn of een bepaald vlak op aarde

vomLTÏft Vif ?nriChtiQg' die b« de meetinstrumenten voorkomt, bestaat uit twee plaatjes A en B, flg. 1, waarvan

openZ) vooJ^n ^ ^ ^ogopLn olZZ-

opening) voorzien 1S, terwijl het andere eene grootere openine (voorwerpopening of objectiefopening) bevat, waarin twee elkaar knnsende draden gespannen zijn. Het vizier wordt gezegd 0,

nle^laf ïï? V^' MM8r V°°r het 0<* ™ d«' Sn'me S ï °0g0PeninS ^plaatst is, het kruispunt der draden met dat punt samenvalt. De lijn, die door het midden der oogopening en het kruispunt der draden gaat, en den naam van velijn draagt, gaat dan door het bedoelde punt

zooairinVCTT7OPening.SleChtS 6en enkele draad spannen, zooals in flg. 2, dan vormt het midden der oogopening met den

Sluiten