Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

draad een vtiurvlak, dat op ccn punt gericht is, zoodra dit voor het oog van den waarnemer met den draad 'samenvalt. ,

In het laatste geval treft men meestal onderscheidene oogopeningen'aan, die dan echter alle in eene lijn moeten liggen evenwijdig met den draad in de voorwerpopening, opdat al de daardoor bepaalde viziervlakken samenvallen. Dikwijls worden die openingen door eene smalle spleet 'vervangen, zooals in. flg. 3 is aangegeven. Ook komt het voor, dat de voorwerpopening uit eene dergelijke smalle spleet zonder draad bestaat, flg. 4. Het vizier-vlak, dat door het midden der beide spleten gaat, is in dit geyal op een punt gericht, wanneer dit voor het oog van den waarnemer midden tusschen de zijkanten van de objectiefspleet is gelegen.

§ 2., Om de draden goed te kunnen zien, moeten zij niet al te dicht bij de oogopening geplaatst worden; wel is waar komt de geringe grootte van de oogopening het accommodatie-vermogen van bet oog eenigszins tegemoet, zoodat het niet noodig is de draden op den afstand van duidelijk zien te plaatsen, doch blijft het wenschelijk den afstand niet al te klein te nemen.

De oogopening moet zeer klein zijn, daar er anders een hinderlijke parallax of verschilzicht kan optreden, doordien dan bij verplaatsing van het oog voor de oogopening telkens een ander punt met het kruispunt der draden schijnt samen te vallen. Een opzettelijk onderzoek daaromtrent heeft echter geleerd, dat, als de grootte der opening eene zekere grens niet te boven gaat , er geen parallax te vreezen is, doordat men onwillekeurig hét oog midden voor de opening plaatst, omdat men dan het duidelijkst ziet. Uit proeyen is gebleken, dat «ene opening van 0,7 a 0,9 mM. het doelmatigste is, en dat men door ronde oogopeningen scherper kan richten dan door spleetvbrmige.

De bovenbeschreven vizierinrichtingen, die bij min. kostbare instrumenten, waar het niet op groote nauwkeurigheid aankomt, veel worden aangetroffen, zijn voor nauwkeurige metingen niet zeer geschikt. Door de kleine oogopening komt slechts eene geringe hoeveelheid licht in het oog en wordt dus de helderheid van het voorwerp, dat toch soms reeds moeielijk, is waar ,te nemen. belangrijk verminderd. Het scherp waarnemen van het voorwerp, dat zich veraf bevindt, en van de draden, die dichtbij zijn aangebracht, is slechts bij af wisseling mogelijk en daardoor ontstaat eene groote onnauwkeurigheid in de beoordeeling van de samenvalling. Dit bezwaar wordt nog, vergroot door de dikte van den draad (meestal een paardehaar) die voor het dicht

Sluiten