Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarbij geplaatste oog van den waarnemer het voorwerp, waarop gericht moet worden, geheel of gedeeltelijk bedekt. Eindelijk kan zonder vergrooting van den gezichtshoek, waaronder het voorwerp gezien wordt, het richten slechts met eene geringe nauwkeurigheid (plaats- hebben. Aan al deze bezwaren, die onafscheidelijk aan de gewone vizieren verbonden zijn, wordt tegemoet gekomen door den kijker als vizierinrichting te bezigen.

§ 3. De kijker als vizierinrichting. De kijker, tot zijn eenvoudigsten vorm teruggebracht, is de astronomische — ook wel die van Kepleh genoemd — en bestaat uit twee positieve lenzen, het voonoerpglas of de objectieflens V, flg. öa en 5b, en het oogglas of de oculairlens O. De objectieflens vormt van het voorwerp A, waarop de kijker gericht wordt, een werkelijk beeld B; even voorbij het hoofdbrandpunt dier lens. Ter plaatse van dit beeld zijn in den kijker twee elkaar kruisende draden, kruisdraden genaamd, aangebracht. Het oculair, dat als vergrootglas dient, vormt, zoowel van het werkelijke beeld B als van de kruisdraden, bij Ceen virtueel beeld, welk laatste door het oog, dat op den afstand van duidelijk zien daarvan verwijderd is, scherp kan worden 1 waargenomen. De plaatsen dezer beelden zijn in flg. 5' geconstrueerd door gebruikmaking van de twee eigenschappen ( der lenzen:

1°. alle stralen , die door het optisch middelpunt eener lens

gaan, ondergaan geen verandering van richting; en 2°. alle stralen, die evenwijdig met de hoofdas op eene lens , invallen, gaan na de breking door het hoofdbrandpunt, terwijl omgekeerd alle stralen, die vóór de breking door het hoofdbrandpunt gaan, evenwijdig aan de.hoofdas uittreden, h Valt voor het oog van den waarnemer het kruispunt der draden met een bepaald punt van het voorwerp samen, dan is de kijker op dat punt gericht. Be lijn, gaande door het snijpunt der draden en het optisch middelpunt van het objectief, gaat dan door het punt waarop gericht is; het is deze lijn, die den naam van vizierlijn draagt. •

In flg. 5'; is de loop van de lichtstralen in een dergelijken kijker voorgesteld. Van de uiterste punten van het voorwerp A zijn een drietal lichtstralen aangegeven, waaronder de twee uiterste lichtstralen, die nog in den kijker treden. Zooals uit de figuur blijkt, komen al die lichtstralen, na door het oculair gebroken te zijn, bij D in eene kleine ruimte samen; het is daar ter plaatse, dat men het oog moet houden, om er zooveel

Sluiten