Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stropen evenveel van de correspondeerende strepen op den rand afwijken. Is dit 'werkelijk het geval, dan kan men zich van de samenvalling van de eerste overtuigd houden. Daar echter bij de begin- en de eindstreep slechts aan 'eene zijde verdeelstrepen aanwezig zijn, is ten behoeve dezer controle op den nonius meestal eene oververdeeling aangebracht, d. w. z. vóór de nulstreep en na dè eindstreep zijn nog een of twee strepen, aangebracht, zooals in fig. 14 door stippellijnen is aangegeven.

Is er geene streep op den nonius, die juist samenvalt met'een deelstreep van den rand, dan neemt men de aanwijzing van de deelstreep van den nonius, die het dichtst staat bij eene deelstreep van den rand; wijken twee opvolgende deelstrepen ongeveer evenveel en in tegengestelde richting af, dan kan men het gemiddelde nementusschen de aanwijzingen van die beide strepen.

Door vergelijking van de opvolgende afstanden tusschen de strepen van den nonius en van den rand, wanneer geen streep van den nonius is aan te wijzen die met een randstreep samenvalt, is men na eenige oefening in staat nauwkeuriger af te lezen dan boven is aangegeven. In fig, 14" is een deel van een nohius voorgesteld waarmede, op de gewone wijze te werk gaande, op den in halve graden verdeelden rand tot in minuten is af te lezen. (*) De aflezing in minuten is (zooals gemakkelijk is na te gaan) 25° 4'; de meer juiste aflezing aan den nonius is echter zooveel meer dan 4', als de. grootte van het stukje a bedraagt, dat de streep 4 van den nonius voorbij streep 27 van den rand staat.

Om de grootte van a te bepalen, gaan wij na dat de som van de stukjes a en b één minuut bedraagt; is nu bijv. a de helft van &, dan is a = !/3 minuut en de aflezing in tiende deelen van minuten: 25°4',3. Zijn a en b gelijk, dan is de aflezing 25° 4',5; is b = 1/2a dan is de aflezing in tiende deelen van minuten: 25°4',7. Bedraagt de afstand a minder dan de helft van b, doch valt de streep 4 van den inonius nog' niet samen met de streep 27 van den rand (hetgeen dan te zien is aan de ongelijkheid van de afstanden b en c), dan is de aflezing 25°4',2 of 25° 4',1, al naar gelang het verschil tusschen b en c beter of minder goed zichtbaar is. Bij aflezing van 25° 4',4 zal o- iets kleiner zijn dan b, maar grooter dan de helft van b, enz.

O In de figuur 14» is het verschil tusschen een randdeel en een noniusdeel duidelijkheidshalve veel grooter geteekend dan Vso van een randdeel, en zijn gemakshalve de strepen van den nonius en de strepen voor de graden van den rand van cijfers voorzien.

Sluiten