Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is en die zoo noodig verhelpt. Heeft men aldus op het punt B gericht, dan leest men den stand van beide noniussen af en herhaalt diezelfde bewerking voor het punt G.

Men neemt nu voor elk van de richtingen naar B en naar C de graden én de onderdeelen afgelezen op den rand bij de nul van nonius I en het gemiddelde van de aflezingen aan de noniussen I en II; het verschil van deze waarden geeft dan den gevraagden horizontalen hoek, vrij van een mogelijk aanwezige fout van excentriciteit (zie § 14).

Dat de aldus gevonden hoek werkelijk de horizontale hoek tusschen de lijnen AB en AC is, valt gemakkelijk in te zien. Door het richten op het punt B gaat het vlak, dat de vizierlijn bij eene draaiing om de tweede as beschrijft, door het punt B. ■ Dit vlak, loodrecht staande opvde horizontale tweede as, is dus' het horizontaal projecteerend vlak van de lijn AB. Door draaiing, van. het bóvenstel van het instrument om de eerste as, tot men gericht is op C, wordt dit vlak het horizontaal projecteerend vlak van AC, en de hoek, door dat vlak doorloopen, dat* is de op den cirkelrand gemeten hoek, is dus de standhoek tusschen die twee projecteerende vlakken, dat is de te meten hoek.

Heeft men meer dan één hoek in hetzelfde punt te meten, bijv. de hoeken, gevormd door de lijnen, gaande naar de punten B,C,B,E, enz., dan richt men achtereenvolgens op de punten B, G, D, E, enz. en leest telkens de beide noniussen af. Door de gemiddelde aflezingen, berekend op boven aangegeven wijze, I twee aan twee van elkander af te trekken, vindt mén al dé verlangde hoeken.

§ 32. Het doorslaan van den kijker. Zooals wij boven gezien hebben, moet de theodoliet en in het algeméén ieder instrument aan zekere voorwaarden van regeling voldoen; wordt hieraan niet voldaan, dan ontstaan er fouten in de meting.

Men moet natuurlijk zorgen de uitkomsten der meting te vinden, bevrijd van deze fouten. Dit kan geschieden door het instrument naar behooren te regelen of door de meting zoodanig in te richten, dat die fouten geëlimineerd worden.

Is dit laatste mogelijk, dan is het zaak van die methode van meting gebruik te maken, ook al heeft men het instrument goed geregeld, want bij het regelen kunnen nog kleine fouten overgebleven zijn en deze worden dan door de meting zelve geëlimineerd.

Bij een theodoliet is het mogelijk de fouten , die voortspruiten

Sluiten