Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het niet-voldoen aan de laatste twee voorwaarden van regeling (zie blz. 35), te elimineeren en wel door het doorslaan van den kyker.

De stutten I van den theodoliet (zie flg. 36) zijn zoo lang gemaakt, dat het objectief of wel het oculair van den kijker vrij over den alhidadecirkel kan bewegen en dus het oculair aan die zijde, kan komen, waar eerst het objectief was; dit objectief komt daardoor natuurlijk aan de andere zijde, waar zich vroeger het oculair bevond. Deze beweging van den kijker noemt men het doorslaan.

Meet men nu tweemaal denzelfden hoek, eens met den kijker in den gewonen stand, daarna met den kijker in den doorgeslagen stand, dan worden door het nemen van het gemiddelde uit de twee aldus, gevonden waarden Voor den hoek, de fouten, voortspruitende uit het niet zuiver regelen van vizierlijn en tweede as, geëlimineerd.

§ 33. Om aan te toonen, dat hierdoor werkelijk de bedoelde fouten geëlimineerd worden, zullen wij veronderstellen, dat een der punten, bijv. het punt G, fig. 44a, met het punt A in een horizontaal vlak ligt, dat het punt B zich echter op eenige hoogte daarboven bevindt. Nemen wij nu door het punt B een verticaal projectie vlak V aan, dat loodrecht staat op de horizontale projectie van AB, en dat door het horizontale vlak door A volgens de lijn HH wordt gesneden, dan zal het punt G, volgens bovenstaande onderstelling, in dit horizontale vlak liggen, en het punt B zich daarop^in B' projecteeren.

Is de theodoliet nu goed geregeld en goed opgesteld, dan zal, als wij op B gericht hebben en den kijker om de tweede as draaien, tot hij den horizontalen stand verkrijgt, de vizierlijn een verticaal vkk beschrijven, dat het vlak V snijdt volgens de lijn BB', loodrecht op HH, zoodat de vizierlijn den stand AB' verkrijgt. Richten wij nu op het punt C, dan doorloopt de kijker dus den horizontalen hoek B'AG, d.i. de hoek, dien wij willen meten.

Staat nu echter de tweede as A-ffi niet loodrecht op de eerste (deze laatste echter wel "verticaal en de vizMliju wel lüodrechT op de tweede as), maar projecteert zij zich op het vlak V volgens Dj'^j' als de kijker op B gericht is, dan zal bij de draaiing van den kijker om de tweede as de vizierlijn een plat vlak ABB1

' beschrijven, loodrecht op de tweede as, dat het vlak van projectie snijdt volgens de lijn BBU loodrecht op D{E{. Bij het richten

' op C' zien wij nu, dat de kijker den horizontalen hoek B^ACmoet doorloopen, waaruit volgt, dat wij voor den hoek eene te groote -waarde vinden, en wel dat de fout gelijk is aan den hoek BXAB',

Sluiten