Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet loodrecht op de tweede as, en hetgeen riien meer of minder dan 180° gedraaid heeft, is het dubbel van de afwijking. *

Stelt DE, fig. 47 (in projectie op een vlak loodrecht op de eerste as), de projectie der tweede as voor, dan zou de vizierlijn den stand VVX moeten hebben, loodrecht op DE; stel echter, dat de vizierlijn den stand AB heeft en gericht is op het punt P, zoodat' zij een hoek 90° — /3 met de tweede as maakt. Slaat men den kijker door, dan zal de vizierlijn, draaiende om DE den stand AXBX verkrijgen, en nu is het duidelijk dat, om die vizierlijn weer in den eersten stand te brengen, zoodat zij weer gericht is op P, zij om de eerste as een hoek moet draaien, gelijk aan Bx0B = 180° + 2/3.

Heeft men op bovenstaande wijze gevonden, dat de vizierlijn niet loodrecht staat op de tweede as, dan verdraaie men voor de correctie het bóvenstel met behulp van de micrometerschroef U, flg. 86, een hoekje, gelijk aan de fout /3, waardoor de tweede as, die eerst den stand DXEX, fig. 48)Vbad, in den stand D2E2 en de vizierlijn van den stand AB in den stand A2B2 komt. Door nu met de correctieschroefjes, die op het diaphragma werken, het kruispunt der draden op het punt P te brengen, komt de vizierlijn in den juisten stand AB, rechthoekig op de tweede as D2E2.

Ook kan men, na voor de fweede maal op P gericht te hebben, het bóvenstel met behulp van de micrometerschroef zoover verdraaien, dat men op de noniussen 180° meer of minder afleest, dan bij het begin. De vizierlijn AXBX en de tweede as DE komen dan in den stand van fig. 49, waarbij mén niet meer op het punt P gericht is, en de afwijking, die men waarneemt, komt overeen met het dubbel van de fout. Om de vizierlijn te regelen, heeft men nu slechts met behulp van de correctieschroefjes O, fig. 36, het kruispunt der draden zooveel te verplaatsen , dat de afwijking voor de helft is weggenomen, waardoor de vizierlijn in den stand V7X, rechthoekig op BE, komt. De bewerking wordt hierna nog eens herhaald.

Bij het onderzoek en de regeling op de beschreven wijze is men afhankelijk van de nauwkeurigheid van de aflezing op den rand. Zoo men den theodoliet wenscht te gebruiken tot het verlengen van lijnen op het terrein, is dit niet nauwkeurig genoeg en kan men ook den stand van de vizierlijn ten opzichte van de tweede as als volgt onderzoeken.

Daartoe richt men den kijker op een punt P, fig. 50. Laat daarbij de tweede as DE een hoek 90° — /3 met de vizierlijn AB

Sluiten