Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken; men slaat nu den kijker door, en laat in de richting JjZfj, die de vizierlijn daarbij verkrijgt, eene baak Q plaatsen. Richt men nu weer op P' door draaiing van het bóvenstel om de eerste as, dan zal de tweede as den stand DLEi verkrijgen, en de vizierlijn dus, na den kijker andermaal te hebben doorgeslagen , niet meer op Q gericht zijn, doch eene uitwijking QOB2 vertoonen, die blijkens de figuur gelijk is aan het viervoud van de fout (3 in den stand der vizierlijn.

Om de vizierlijn te regelen, kan men met behulp van de schroef voor fijne beweging H, fig. 36, het kruispunt der draden over drie vierden van de afwijking verplaatsen, daarna met behulp van de correctieschroef O, fig. 36, het kruispunt zooveel ver. plaatsen, dat de kijker weer op de baak Q gericht wordt. (*)

§ 38. Om bij een theodoliet, waarvan de kijker niet kan doorslaan , te onderzoeken of de tweede as loodrecht op de eerste en de vizierlijn loodrecht op de tweede as staat, st'elt men de eerste as juist verticaal, richt den kijker op eene verticale lijn (bijv. op een vrij hangend, aan het benedeneinde met een gewicht bezwaard koord) en beweegt hem om de tweede as op en neer. Is nu aan beide voorwaarden van regeling voldaan, dan zal de vizierlijn een plat verticaal vlak beschrijven en' dus steeds op de verticale lijn gericht blijven; doet zij dit niet, dan is aan een van beide of aan beide voorwaarden niet voldaan.

.Stelt AB, tig. 5P, de verticale lijn voor, geprojecteerd op een daarachter gelegen verticaal vlak, 0 het punt van die lijn, waarop men bij horizontalen stand van den kijker gericht heeft, dan zal, als de tweede as niet loodrecht op de eerste, maar de vizierlijn wel loodrecht op de tweede as staat, de vizierlijn bij de beweging om de tweede as een plat vlak beschrijven, loodrecht op de niet horizontale tweede as; dat vlak is dus niet verticaal en snijdt dus het projectieylak volgens eene schuine lijn ab; waaruit volgt, dat men bij het naar boven en naar beneden bewegen van den kijker, het kruispunt-der draden in tegengestelden zin van de verticale lijn zal zien afwijken en dat, als men aan de vizierlijn eene zelfde helling naar boven -en naar beneden geeft, de uitwijkingen x even groot zullen zijn.

Is de tweede as wel rechthoekig op -de eerste, maar de vizierlijn

(*) Omtrent de noodzakelijkheid van het verbeteren der fout & in den stand der vizierlijn bU het doen van enkele hoekmetingen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van het doorslaan van den kijker, geldt eene overeenkomstige opmerking, als in de noot op blz. 43 voor de fout * in den stand der tweede as is gemaakt.

Sluiten