Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taal gedachten stand der vizierlijn de diametraal gelegen noniussen iVj en JV2 niet nul, maar de onbekende indexfout -\-p aanwijzen, dan zal de kijker, indien deze op het punt P gericht wordt, uit den horizontalen stand een hoek A gedraaid worden, die gelijk is aan den gevraagden elevatiehoek POH; tegelijkertijd zal daarbij het punt B van den rand tegenover den nonius Nx komen, m. a. w. als de kijker op P gericht is, zal men op de noniussen eene waarde B aflezen, die p te groot is, zoodat:

A = B— p.

Denken wij nu de vizierlijn,weer horizontaal, en draaien wij het bóvenstel van het instrument 180° om de eerste as, dan komt de vizierlijn in den stand van flg. 57", welke het spiegelbeeld is van flg. 57", en na den kijker te hebben doorgeslagen, en de vizierlijn weer horizontaal te hebben gedacht, in dien van flg. 57°. Richten wij nu weer op P, dan zal de vizierlijn weer een hoek A moeten draaien en op de noniussen zal men eene waarde C aflezen, die p te klein is, zoodat:

A = C+p.

Uit deze twee vergelijkingen volgt:

P-f-C B—G 4=—i— en * = —2~'

waarvan de eerste waarde ons den elevatiehoek doet kennen met eliminatie van de indexfout en de tweede waarde de indexfout uitdrukt.

Door het doen van twee metingen kan men dus altijd de

indexfout elimineeren, of indien men eene elevatie wil bepalen,

door slechts éénmaal te richten, de eens gevondene indexcor-

C — B ' ' rectie —p — telkens in rekening brengen.

Deze correctie moet dan opgeteld worden bij de aflezingen, als de kijker in den gewonen stand staat en afgetrokken worden, als hij zich in den doorgeslagen stand bevindt.

.Bij bovenstaande beschouwing zijn wij stilzwijgend van de onderstelling uitgegaan, dat er geene excentriciteit aanwezig is en de noniussen juist diametraal tegenover elkaar staan, waardoor de aflezingen bij beide noniussen aan elkaar gelijk worden. Is dit echter niet het geval, dan zijn beide aflezingen niet aan elkaar gelijk, maar door het nemen van het gemiddelde, ver-

Sluiten