Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dwijnen de fouten, die daaruit voortvloeien (zie § U). Bovenstaande waarden B, G en p moeten dus beschouwd worden als de gemiddelden uit de twee waarden, geldende voor de twee noniussen en de twee nulpunten.

§ 46. Onderzoek en regeling van den theodoliet voor het nieten van verticale hoeken. Als de kijker kan doorslaan, zijn zooals wij in de vorige paragraaf gezien hebben, het onderzoek en de regeling strikt genomen overbodig.

Wil men echter, na door dubbele meting onderzocht te hebben of eene indexfout aanwezig is, den theodoliet regelen, d.w z • wil men de indexcorrectie tot nul reduceeren, dan kan dit op twee verschillende wijzen geschieden: 1°. door de vizierlijn met behulp van de kruisdraden te verplaatsen en 2°. door de noniussen te verschuiven.

In het eerste geval zal men, na een verticalen hoek door dubbele meting bepaald te hebben, de noniussen op d'e juiste elevatie plaatsen en vervolgens op het punt richten, door het diaphragma met behulp van de daartoe aanwezige correctieschroefjes O, flg. 36, te verplaatsen. In het tweede geval richt .men op het punt en verplaatst de noniussen, tot zij de iuiste elevatie aangeven.

§ 47. Kan de kijker niet doorslaan, dan zijn onderzoek en regeling minder eenvoudig.

Beschikt men over een tweede instrument, onverschillig welk dan kan men de helling van de vizierlijn als volgt meten Men. richt daartoe het hulpinstrument op een verafgelegen punt P plaatst den te onderzoeken theodoliet er voor en richt op het kruispunt der draden van den eersten kijker; de beide vizierlijnen zijn dan onderling evenwijdig, maar tegengesteld gericht

Indien A de elevatie van de vizierlijn van den hulpkijker B de aflezing op den verticalen rand met eene verdeeling als in flg. 57' is voorgesteld en p de indexfout is, zoo is:

A = B +p.

Draait men nu het bóvenstel van den theodoliet om de eerste as en richt men dan op het punt P, dan zal - aangezien dit punt veraf ligt — de elevatiehoek der vizierlijn van den theodoliet A zijn, en wanneer G de aflezing is:

A = G—p,

Sluiten