Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ander verafgelegen voorwerp, bijv. een kerktoren; valt nu het voorwerp samen met zijn dubbel teruggekaatst beeld, dan zijn beide spiegels evenwijdig. Is dit echter niet het geval, dan zijn, terwijl de nonius op nul staat, de spiegels niet evenwijdig, en is derhalve eene indexfout aanwezig, die weggenomen kan worden, door bij onveranderden noniusstand de beide beelden tot samenvallen te brengen, hetgeen geschieden kan, door den kimspiegel met behulp van de daartoe aanwezige correctieschroefjes (bij de in flg. 65"b voorgestelde sextant de schroefjes aa) een weinig te verdraaien.

Het is niet voldoende eens voor altijd den stand van den kleinen spiegel te regelen, daar er door storende omstandigheden licht eene kleine verandering kan ontstaan, die onmiddellijk tot eene fout in de meting aanleiding geeft. Men is dus verplicht die regeling meermalen, ja zelfs dagelijks te herhalen. Boven het dagelijks'regelen van den stand van den kimspiegel verdient het bepalen van de fout, die men bij de meting maakt door deze regeling achterwege te laten, de voorkeur. Deze fout toch, is voor alle hoeken, die men meet, even groot en kan dus bij het begin eener reeks van metingen bepaald en vervolgens bij iederen hoek als correctie aangebracht worden.

Deze correctie, die den naam draagt van indexcorrectie, zullen wij door de letter 2 uitdrukken en haar teeken zoodanig nemen, dat zij steeds bij de aflezing moet opgeteld worden. Hebben wij op den rand dus afgelezen een aantal graden, minuten en onderdeelen van minuten door A voorgesteld, dan is de voor de indexfout gecorrigeerde aflezing: A -f- 2.

Ter bepaling van de waarde der indexcorreotie 2 kan men het direct geziene beeld van een ver verwijderd punt, bijv. een toren beter eene ster, met zijn tweemaal teruggekaatst beeld laten samenvallen. Leest men alsdan op den cirkelrand een hoek p af, dan is p -f-J = o, omdat de lichtstralen, van een ver verwijderd punt komende, evenwijdig zijn, en dus samen een hoek van 0° maken. Hieruit volgt dus:

2 = -p.

Ter bepaling van de indexcorrectie wordt veelal van de zon gebruik gemaakt, waarbij men dan den vroeger besproken gekleurden oogdop voor den kijker moet plaatsen. Daar het echter moeielijk is om nauwkeurig de samenvalling van de twee zonnebeelden waar te nemen, zoo meet men den hoek «, waaronder de middellijn LB, fig. 67, van Nde zon gezien wordt, op twee wijzen, namelijk door het dubbe} teruggekaatste beeld van de

Sluiten