Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoewel deze laatste benaming meer toekomt aan eene eenigszins andere constructie, die vroeger tot hetzelfde doel gebruikt werd, is in fig. 88 op de helft der ware grootte voorgesteld. Boven op eene kegelvormig uitgeholde bus, die op een stok of op een drievoet geplaatst wordt, bevindt zich een holle achtkantige doos van koper. In twee tegenover elkaar staande zijvlakken A en B zijn twee vizierinrichtingen aangebracht, waardoor men in twee tegenovergestelde richtingen kan richten en waarmede men dus hoeken van 180° kan uitzetten. In ëe twee zijvlakken , ;die rechthoekig staan op de eerste en waarvan er slechts een bij C zichtbaar is, zijn dergelijke vizierinrichtingen aangebracht , zoodat- men daardoor twee viziervlakken verkrijgt, die rechthoekig staan op de viziervlakken door A en B gevormd en waarmede het dus mogelijk is, rechte hoeken uit te zetten.

In de vier overige zijvlakken zijn enkel smalle spleten aan-' gebracht, omdat sommige waarnemers het richten door twee zulke spleten verkiezen boven het richten met de andere vizierinrichtingen. Zij kunnen ook dienen om in verband met die andere vizierinrichtingen hoeken van 45° uit te zetten.

§ 79. Gebruik van de équerre d'arpenteur. Het uitzetten van hoeken van 180° heeft plaats bij het verlengen van eene lijn AB naar C, fig. 89, of bij het zoeken van een punt op de lijn AB, fig. 90, als men bij geen der punten 1 of 5 kan komen. In het eerste geval plaatst men de équerre in B, fig. 89, en draait haar zoo, dat een der viziervlakken op A gericht is; door de ,zich daarboven of daaronder bevindende vizierinrichting ip tegengestelde richting ziende, kan men dan eene baak in die richting, dus in G doen plaatsen. In het tweede geval plaatst men het instrument ergens in G, fig. 90, zoo goed als zulks op het oog kan geschieden, in de ■lijn AB, richt op A en ziet nu of men ook op B gericht is. In het geval in de figuur voorgesteld, valt het viziervlak rechts van het punt B, waaruit men opmaakt, dat men zich naar links, bijv. naar D moet verplaatsen, om. daar het onderzoek opnieuw in te stellen en zoo lang te herhalen, tot men werkelijk een punt gevonden heeft, op de lijn AB gelegen.

Het uitzetten van rechte hoeken komt voor bij het oprichten van eene loodlijn BC, flg. 91, op eene gegeven lijn AB en bij het zoeken van het voetpunt E van de loodlijn uit een punt D, buiten de lijn AB, op die lijn neergelaten. In het eerste geval plaatst men de équerre in B, richt een der viziervlakken op A

Sluiten