Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFSTANDMETER.

§ 90. Inrichting. Afstandmeters noemt men instrumenten > waarmede men, door waarneming uit één uiteinde eener lijn, de lengte dezer lijn kan bepalen. Zij worden voornamelijk daar gebezigd, waar directe meting niet of slechts gebrekkig zou kunnen worden toegepast, of waar de afstanden van een groot aantal punten tot hetzelfde punt moeten bepaald worden, vooral ook, wanneer men de hoogteverschillen dier punten wenscht te kennen. De nauwkeurigheid echter staat, waar het groote afstanden geldt, achter bij die door directe afstandsmeting.

Sommige afstandmeters eischen in het verwijderde eindpunt der te meten lijn eene verdeelde baak; andere niet. Alleen de eerste worden in het landmeten gebruikt, omdat zij in het algemeen nauwkeuriger zijn.

Het bepalen van afstanden met deze afstandmeters berust op de berekening van een langgestrekten driehoek ABC, flg. 108, waarvan de kleine basis BC door eene baak gevormd wordt, die zich op het eene uiteinde bevindt, terwijl de tophoek A en (zoo noodig) een van de andere hoeken door den eigenlijken afstandmeter, in het andere uiteinde van den te meten afstand, bepaald worden. De inrichting van den afstandmeter kan dan, zoodanig zijn, dat men aan den hoek A eene standvastige waarde geeft en de daarbij behoorende lengte van de basis BC op de baak afleest, of dat men steeds eene zelfde basis BC op de baak neemt en den daarbij behoorenden tophoek A of eene daarvan afhankelijke grootheid meet.

Van de vele verschillende inrichtingen, die tot het meten van afstanden volgens bovengenoemd beginsel dienen, zullen wij er hier slechts één beschrijven, die aan ieder instrument, dat van een goeden kijker voorzien is, kan aangebracht worden, door

Sluiten