Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ƒ

B. OPMETINGEN.

HOOFDSTUK XI.

ALGEMEENE GANG DER METING.

§ 97. Kaarten. Bij het opnemen van een terrein stelt men zich meestal ten doel, van dat terrein eene kaart op de eene of andere schaal te vervaardigen. De schaal van de kaart en de meerdere of mindere volledigheid, waarmede de details opgenomen moeten worden, hangén af van het verdere doel, waarvoor de kaart zal dienen en waarvoor dus de opneming wordt verricht.

Zooals reeds in de Inleiding van dezen leercursus is 'opgemerkt, zullen wij ons hier slechts bezighouden met de opneming van een terrein van zoodanige uitgebreidheid, dat het waterpasvlak daarbij als een plat vlak kan beschouwd worden. Dit is bij de nauwkeurigheid, die men bij de hiervoren beschreven instrumenten en methoden van meting bereikt, nog he,t geval, als het terrein zich in geen richting verder dan 10 uren gaans uitstrekt. In dit geval verstaan wij onder eeri kaart eene volgens zekere schaal verkleinde projectie op een plat en horizontaal vlak van de punten en lijnen, die op het terrein voorkomen.

§ 98. Net en detailmeting. Bij het opnemen van een terrein moet men steeds zorgen van het groote in het kleine te meten, dat wil zeggen, dat men eerst het terrein als het ware in groote trekken'moet opnemen, door de betrekkelijke ligging van slechts enkele weinige punten en lijnen van dat terrein zoo nauwkeurig mogelijk op te meten en in teekening te brengen.

Sluiten