Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegen, grensscheidingen en andere voorname terreinvoorwerpen zoo goed mogelijk op het oog en den . pas op te nemen. (Zie Hoofdstuk XIX: Globale Opmetingen.) '

Heeft men het terrein goed verkend en eene schets daarvan vervaardigd of eene bestaande kaart zooveel noodig bijgewerkt, dan ontwerpt men daarop het net voor de opneming. Aangezien dit net voor het grootste gedeelte uit een driehoeksnet zal bestaan, zoo moet men in de eerste plaats een geschikt terrein opzoeken voor het meten van de basis. Vervolgens kiest men de andere driehoekspunten zoodanig, dat zij een geschikt driehoeksnet vormen, dat op eene voordeelige wijze met de eindpunten van de basis verbonden is, en waarvan de zijden en hoekpunten zoo gelegen zijn, dat de op te nemen details ten opzichte van die zijden of punten zoo gemakkelijk en nauwkeurig mogelijk kunnen opgenomen worden volgens de methode, die mén daarvoor gekozen heeft. Voor die gedeelten van het terrein, waarover men het driehoeksnet niet kan uitspreiden, ontwerpt men dan een stelsel van veelhoeken, dat zoo goed mogelijk aan de in de nabijheid gelegen driehoekspunten aansluit.

Heeft men op deze wijze het net voorloopig vastgesteld, dan moet men zich opnieuw naar het terrein begeven, om na te gaan of het vastgestelde net in alle deelen zoo kan behouden blijven, of dat het in een of ander opzicht nog gewijzigd moet worden, om het gemakkelijker en nauwkeuriger te kunnen opnemen en het beter in verband te brengen met de op te nemen details. löyil

§ 103. Het uitzetten van het net. Is het net eindelijk voor goed vastgesteld, dan gaat men over tot het uitzetten er van, door de verschillende hoekpunten werkelijk op het terrein zichtbaar aan te geven. De wijze, waarop dit geschiedt, hangt van omstandigheden af. Heeft men te doen met een betrekkelijk klein terrein, waar de hoekpunten dicht bij elkaar liggen en dat in korten tijd wordt opgenomen, dan kan men die punten eenvoudig door baken of jalons aangeven. Dit zijn ronde stokken van ongeveer 4 centimeter middellijn en 2 a 3 meter lengte, van onderen van een ijzeren schoen voorzien en meestal over de lengte afwisselend rood en wit geverfd.

Is de meting van eenigszins langeren duur, waarbij de jalons niet onafgebroken kunnen blijven staan, dan kan men de hoekpunten door ingeslagen piketten aangeven, ten einde ze telkens gemakkelijk te kunnen weervinden; men zprge dan, dat de jalon,

Sluiten