Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetzij uit de vroegere meting bekend zijn of daaruit worden afgeleid. Voor deze afleiding naar Hoofdstuk XV verwijzende, zullen wij die grootheden hier als bekend aannemen.

§ 106. Gegevens voor de berekening. Ter berekening van de coördinaten van de punten Au A2, Aa, enz., flg. 12,1, uitgaande van de bekende coördinaten X0 = OB0 en F0 = JS040 van het punt A0, verbindt men die punten tot een doorloopenden veelhoek, zooals in de figuur door getrokken lijnen is aangegeven; van dien veelhoek moet men dan kennen: de lengte van de zijden, die wij door a0, au a2, enz., zullen uitdrukken, en de hoek, die zij met een van de assen, bijv. de F-as, maken, en die wij door «0, «1; *2, enz., zullen voorstellen.

Wat de eerste betreft, deze worden bij het meten volgen's de veelhoeks-methode door directe meting gevonden, bij de driehoeks-methode vindt men ze uit de berekening van de driehoeken, zooals bij de driehoeksmeting nader zal worden uiteengezet.

De hoeken, die de zijden met de F-as maken, en die wij in 't algemeen (ook bij een willekeurig assenstelsel) met den naam van azimuthen zullen bestempelen, in de onderstelling, dat de F-as de richting van den meridiaan volgt, worden bij de meting volgens de veelhoeks-methode met de boussole door directe meting gevonden; in alle andere gevallen moeten zij door berekening uit de hoeken van den veelhoek worden afgeleid, hetzij dan, dat die opmeting .heeft plaats gehad volgens de veelhoeksmethode en men die hoeken dus onmiddellijk gemeten heeft, of dat zij door samentelling van verschillende hoeken van het driehoeksnet moeten gevonden worden.

§ 107. Berekening der azimuthen. Om de berekening van de azimuthen en van de coördinaten zoo eenvoudig mogelijk te maken en vergissingen daarbij zooveel mogelijk te voorkomen, is het zaak zoowel de azimuthen als de hoeken in eene bepaalde richting te tellen. Als zoodanig zullen wij voor het vervolg aannemen de richting, waarin de wijzers van het uurwerk zich bewegen. Ter bepaling van het azimuth van eene lijn A^, flg. 122, brengen wij dan door het eerstgenoemde eindpunt A0 daarvan eene lijn AqE, evenwijdig met de F-as en laten die zoolang in de richting van de wijzers van het uurwerk draaien, tot zij met de lijn A0AX samenvalt; deze hoek is in de figuur met « aangeduid. Evenzoo had men door het andere eindpunt Ax eene lijn AXG evenwijdig aan de F-as kunnen trekken en deze door draaiing in den aangegeven zin met de lijn kunnen

Sluiten