Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en:

nemen , waarin B = 6877397 meter den straal van den aequator en e = 0,0816968 de excentriciteit van de meridiaanellips voorstelt.

In deze formules mag men, omdat P, en B0 slechts weinig van elkaar verschillen, in plaats van Bx ook B0 bezigen.

§ 112. Invloed van de convergentie der meridianen op de berekening der azimuthen. Heeft het terrein eenige uitgestrektheid in de richting, loodrecht op den meridiaan, dan mogen de azimuthen, zooals die hiervoren bij de berekening van de coördinaten zijn gevonden, niet direct bij bovenstaande formules toegepast worden. Aangezien de meridianen niet evenwijdig loopen, maar naar de pooi convergeeren, zoo vallen de parallellen aan de F-as niet samen met de meridianen en geven de berekende hoeken « dus niet zuiver de azimuthen aan. Om hiermede rekening te houden, moet men aan form. (1) eene kleine correctie aanbrengen, die voortspruit uit het verschil van het azimuth van de lijn AqAx, -fig. 124, bepaald in de tweo punten A0 en Ax-

Dat azimuth in Ax gemeten: namelijk PAxD, is niet meer (zooals in fig. 121) gelijk aan het azimuth <x = PA0A1 in A0 gemeten, maar is een zekeren hoek 2 grooter.

Uit den driehoek A0PAx, dien wij hier als een bolvormigen driehoek mogen beschouwen en waarin:

A0P = 90° — B0, AxP — 90° — Bx, hoek PAQAx = <x, en

hoek PAxA0 = 180° — PAxD = 180° — « — ï is, vinden wij door toepassing van den sinusregel:

sin PAxA0

sin PAt

o

sin PAqAx

sin PA

Sluiten