Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B de hoogte van de zon-ft, de declinatie van dé zon op den middag D, en op het oogenblik van de eerste waarneming D — S, dan is:

PT = 90° — B,

TS = 90°—h,

PS = 90° — D + en

hoekPrS = ^-r-a>

en uit den driehoek PST volgt dus:

cos PS = cos PT cos TS + sin PT sin TS cos PTS,

of: .

sin (D _ 5) = siw P 8i« ft + cos B cos h cos (A + a)t

Op overeenkomstige wijze yinden wij uit driehoek PS'T waarin S' het middelpunt van de zon bij de ^eede waarneming voorstelt, en waarvan op dat oogenblik de declinatie D + ïis.

gin (d 4. » = sin P sin Ti + cos B cos h cos (A — a). Trekken wij deze twee vergelijkingen van elkaar af, dan vinden wij:

2 cos D sin S = 2 cos P cos h sin Asina, of, aangezien 3 en a kleine hoeken zijn: cos D

a = S cosBeoshsinA • ,

Stellen wij-den uurhoek TPS die overeenkomtmet; den tijd die er nog moet verloopen voor de culminatie, dus ongeveer de helft van h" tijdsverloop tusschen de twee waarnemingen, door de letter t voor, dan is in driehoek PIS: sinPS_==smPTS^f ~sinTS T sinTPS '

of: ; . .

cos (D — 3) sin (A ± a) _

c~ösïi sin t

' Laten wij in deSe vergelijking de kleine hoeken^ en aten ' opzichte van D en A weg, dan vinden wij: ^^J— sint' waardoor de correctie overgaat in:

Sluiten