Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ps __ pg3 — go0 — D, als D de declinatie voorstelt; wij vinden1 dus door toepassing van den regel van Nepee:

cos (90° — PSi) = sin PT sin 6'j2'P

of:

of:

nin PS, Sin PSo

Sinsar a=-«ftno^J.Jr — . -prn — „;n prp

ma T)

8inA=='c^B-

Om den tijd te weten, waarop de grootste digressie intreedt en waarop men dus voor de waarneming gereed zal moeten zijn, berekent men den uurhoek TPS,= U. Men heeft namelijk:

cos TPSi = tg PSi cotg PT,

of:

cos U=cotgDtgB.

Hieruit vindt men U en, door daarbij de rechte klimming der ster op te tellen, den sterretijd, waaruit men wederom gemakkelijk den middelbaren tijd, waarop de grootste digressie bij Si intreedt, kan afleiden.

De poolster is voor deze meting de meest gunstigei ster, omdat zij door hare langzame beweging een geruimen tijd in de grootste digressie blijft.

§ 117. Stershoogte. Men kan eindelijk het azimuth van eene lijn bepalen, door den horizontalen hdek te meten tusschen die lijn en de richting naar eene ster op een willekeurig^oogenblik - trekt men hiervan den hoek af, dien de hoogtecirkel van de ster met den meiidiaan maakt, als die ster zich ten oosten van den meridiaan bevindt, of telt men dien hoek er br, wanneer de ster zich in het westen bevindt, dan heeft men het gevraagde azimuth. " t..jj„

Het bepalen van dien hoek kan geschieden door gelijktijdig de hoogte van de ster te meten. In dat geval z|n m den parallacüschen driehoek PTS, flg. 127, de dne zijden bekend en men kan den gevraagden hoek, die door PTS wordt voorgesteld, dus gemakkelijk berekenen.

Men moet er echter op bedacht zijn, dat de hoogte, die met behulp van den theodoliet gemeten wordt, niet de ware hoogte van de ster is. Ten gevolge van de straalbuiging ziet men

Sluiten