Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

namelijk de ster altijd te hoog, zoodat eerst nog voor die straalbuiging eene correctie moet worden aangebracht.

Om de meting onder de gunstigste omstandigheden te verrichten , moet men weer eene ster kiezen, die zich bij eene niet te groote hoogte, zoo dicht mogelijk bij het oost- of het west. punt van den horizon bevindt. Hoogten beneden de 10° zijn echter wegens de onregelmatige straalbuiging te vermijden. 1

§ 118. Eenige opmerkingen omtrent bovenstaande metingen.

Zoöals wij bij de behandeling van den theodoliet gezien hebben, .zijn de fouten in de regeling van des te grooteren invloed op de meting, naarmate de elevatie van de vizierlijn grooter is. Hier dus, waar men bij de sterren of bij de zon altijd met betrekkelijk groote elevatiehoeken te doen heeft, moet men er vobr zorgen, dat het instrument zoo goed mogelijk geregeld is, en dat men steeds door het doen van twee metingen in twee verschillende standen van den kijker, de nog overgebleven fouten elimineert. Het behoeft geen betoog, dat men om dezelfde reden goed moet zorgen voor de juiste verticaal-stelling van de eerste as. \m ii.

Kan men de azimuthsbepaling met behulp van de sterren , niet in de schemering verrichten, maar moet men daarmede tot 'snachts wachten, dan is het meestal zoo donker, dat men de kruisdraden in den kijker niet meer kan zien. In een dergelijk geval moet men op de eene of andere wijze de lichtstralen, van eene ter zijde aangebrachte lichtbron, door het objectiefin den kijker doen vallen, om zoodoende het gezichtsveld en de draden zichtbaar te maken.

Sluiten