Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIEHOEKSMETING.

§ 119. Vorm van het net. Voor de opmeting van het net volgens de driehoeks-methode, moet dit net bestaan uit eene aaneenschakeling van driehoeken, waarvan dan minstens eene zijde (basis) en verder alle hoeken gemeten worden. De grootte en de vorm van de driehoeken, de ligging van de basis en hare verbinding met het driehoeksnet, hangen voor een groot gedeelte van het terrein af. Voor de nauwkeurigheid van de opmeting moet men er echter voor zorgen, dat de driehoeken zooveel . mogelijk gelijkzijdig zijn, dat de hoeken dus niet te scherp of te stomp worden, hoeken kleiner dan 20 a 30 graden moet men zooveel mogelijk vermijden, omdat fouten in de hoeken dan aanleiding kunnen geven tot groote fouten in de lengten der daaruit berekende zijden. De basis, zoo die niet een van de zijden van het net vormt, moet door een stel driehoeken, dat aan dezelfde voorwaarden voldoet, met een dier zijden verbonden worden.

De basis, zoo er slechts één is, tracht men zooveel mogelijk in het midden van het net te brengen; meet men, zooals aanstonds zal behandeld worden, voor de controle meer bases, dan worden deze-zooveel mogelijk over het net verdeeld.

§120. Basismeting. Het meten van de basis, die den grondslag vormt voor de afmetingen van het geheele net, moet met de uiterste zorg geschieden. Men moet daarvoor dus een vlak, zoo *mogelijk horizontaal, terrein kiezen, liefst den zijkant van een rechten weg of een vlak weiland, waarop de basis mei behulp van meetlatten twee- of meermalen gemeten wprdt, om uit het gemiddelde van die metingen de lengte zoo nauwkeurig mogelijk te vinden. Zijn er meer bases, dan worden zij alle

Sluiten