Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op dezelfde wijze gemeten. Daar hun aantal altijd zeer klein is, kan men aan die meting alle noodige zorg besteden om een goeden grondslag te krijgen voor de berekening van het net.

Kan men voor de basis geen horizontaal terrein vinden, dan neemt men daarvoor een hellend maar vlak terrein, meet de basis langs dat hellende vlak en herleidt den gemeten afstand tot den horizon, door hetj hoogteverschil van zijn twee uiteinden te bepalen.

§ 121. Hoekmeting. Het meten van de hoeken geschiedt , met behulp van den theodoliet of de sextant. Met den theodoliet kan men eiken hoek afzonderlijk meten of men kan bij eene rondmeting achtereenvolgens op alle in den omtrek gelegen hoekpunten richten. De laatste wijze van meten is meestal de voordeeligste. Heeft men den theodoliet bijv. in A, flg. 129, opgesteld, dan richt men achtereenvolgens op B, G, D, E, F en ten slotte weer op B (*), om zich daardoor te overtuigen, dat tijdens de rondmeting de theodoliet niet op den voet verdraaid is. Door de aflezingen twee aan twee van elkaar af te trekken, vindt men dan al de hoeken.

Met ééne meting van de hoeken zal men zich nooit tevreden stellen, minstens zal men de hoeken tweemaal meten, waarbij men dan tevens van het doorslaan van den kijker en het verzetten van den rand partij zal trekken, om de fouten van het instrument zooveel mogelijk te elimineeren. (Zie ook bladz. 41 tweede alinea.) Tevens is het wenschelijk, bij die tweede meting in omgekeerde volgorde op de verschillende punten te richten, ten einde de draaiing (**), die het statief blijkens de ervaring door de inwerking der zon ondergaat, zooveel mogelijk onschadelijk te maken; ook zal men, doordat men onder eenigszins andere omstandigheden meet, eenige contröle hebben, o. a. op het maken van grove fouten. Wil men eene grootere nauwkeurigheid bereiken, dan zal men de hoeken meermalen meten, waarbij men dan, op'de wijze in § 42 behandeld, zorgt voor de systematische eliminatie van de fouten van den rand.

Bij het meten volgens de repetitie-methode met den theodoliet en bij het meten met de sextant, moet natuurlijk elke hoek afzonderlijk gemeten worden. In het eerste geval geschiedt de meting op de in § 41 beschreven wijze; in het tweede geval

(*) Van .de tweede meting voor B maakt men bij de berekening geen gebruik. (") Deze zoogenaamde pijler-draaiing heeft echter alleen bij zeer nauwkeurige metingen merkbaren invloed.

Sluiten