Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEELHOEKSMETING,

§ 130. Vorm van het net. Aan de veelhoeken, die tot aanvulling van een driehoeksnet dienen, moet men een zooveel mogelijk gestrekten vorm geven, zoowel voor het geval, dat men -uitsluitend veelhoeken bezigt om de noodige meetlijnen te verkrijgen, fig. 135, als dat zij zich alleen over die gedeelten van het terrein uitstrekken, waar geen driehoeken aan te brengen zijn, fig. 134. Die veelhoeken moeten dus langs den kortst mogelijken weg van het eene eindpunt naar het andere gaan, hetzij dat deze eindpunten driehoekspunten zijn, bijv. B, 1,.2, 3, E—B, 4, 6, 6, F, fig. 134, en A, 1, 2, 3, 4, C—C, 5, 6, 7, B, fig. 135, of punten van reeds bepaalde veelhoeken, bijv. A, 7, 8, 9, 5—2, Ï2, 18, 14, 6, fig. 134, en B, 11,12, 2—2, 13, 14, 6, fig. 135.

Zal het geheele net door veelhoeksmeting worden opgenomen, dan begint men met om het- op te nemen terrein, zoo dicht mogelijk langs de grens daarvan, een grooteh gesloten veelhoek ABCDEFG, flg. 136, met een zoo gering mogelijk aantal zijden aan te brengen. Deze veelhoek wordt dan door open veelhoeken, die weer een zooveel mogelijk gestrekten vorm hebben, in kleine deelen verdeeld, om daardoor de noodige meetlijnen voor de detailmeting te verkrijgen. In fig. 136 heeft men bijv. eerst den veelhoek A, 1, 2, 3, 4, E aangebracht en dan het punt 2 met de punten C, D en 67 verbonden door de veelhoeken Gt §, 7, 2—D, 10, 9, 2 en 67, 5, 6, 2; verder heeft men F met 3 door F, 11, 12, 3 enA met 8 door A, 13, 14, 8, . verbonden, enz. Deze veelhoeken zijn weer door kleinere veelhoeken, die in de figuur zonder verdere aanduiding aangegeven zijn, vereenigd.

Sluiten