Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien worden. Meet men nu de lengte van de lijn al en de' hoeken in a en 1 van het driehoekje Aal, zoo kan daaruit met behulp van den sinusregel de lengte van Al berekend worden. Heeft men bovendien één van de punten a of 1, bijv. 1, zoodanig gekozen, dat men van daaruit nog een ander punt B van het driehoeksnet kan zien, dan meet men nog hoek A1B. In driehoek AB1 zijn dan bekend AB (uit het driehoeksnet), Al en hoek A1B, zoodat men met behulp van den sinusregel hoek ABX kan vinden. Door de som van de twee hoeken AB1 en A1B dan van 180° af te trekken, vindt men den verlangden hoek BA1.

Kan men voor het punt 1 geen plaats vinden, van waaruit het punt B (of eenig ander punt van het driehoeksnet) kan gezien worden, dan is het niet mogelijk, den hqek bij A te. vinden en mist men daardoor een van de vroeger vermelde controles op de meting.

§ 134. Vereffening der fouten. Slechts zelden zullen de waargenomen grootheden aan de in § 132 afgeleide voorwaarden juist voldoen. De kleine verschillen, die zich daarbij vertoonen, moet men dan weer zoo goed mogelijk over die grootheden verdeelen.

Daartoe neemt men eerst de som van de hoeken A en wat deze volgens de -vergelijking (1), resp. (4) te groot of te klein is, verdeelt men gelijkelijk over al die hoeken.

Met de aldus gecorrigeerde hoeken berekent men eerst de azimuthen «' en vervolgens de grootheden a sin« en a cos«. Komen hare sommen niet overeen met de waarden, die zij volgens formule (2) en (3), resp. (5) en (6) moeten hebben, dan moeten de verschillen verdeeld worden over de grootheden a sin * en a cos <*.

Bij~ gestrekte veelhoeken zal men meestal kunnen volstaan*, met die verschillen te verdeelen, evenredig met de absolute waarden van de grootheden asin«, respectievelijk acos*, of evenredig met de lengten der zijden a, of evenredig met de sommen van de zijden o en de absolute waarden van asina, resp. acos*. Vooral de laatste wijze van verdeeling, die in de uitvoering slechts weinig omslachtiger is dan de twee andere, geeft meestal de gunstigste verdeeling der fouten en is dus te verkiezen daar, waar de te verdeelen fouten eenigszins groot zijn.

Zijn niet de hoeken, maar de azimuthen met de boussole gemeten, dan vervalt natuurlijk de eerste vereffening en men kan onmiddellijk overgaan tot de berekening van de grootheden

Sluiten