Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men ter vereenvondiging van de berekening uitgaan van benaderde waarden voor de coördinaten. -

§ 137. Opneming met behulp van het planchet. Bij de opneming met het planchet van een veelhoek, bijv. B, 1, 2, 3, E, fig. 134, plaats men het planchet, waarop reeds het driehoeksnet of minstens de punten B en E en de richtingen BC en ED. zijn aangegeven, boven het beginpunt B, oriënteert op het punt G én richt de liniaal op £ Trekt men nu langs de liniaal eene lijn en zet daarop de lengte van 51, die men met een meetband, met een ketting of met meetlatten laat meten, of die men zoo noodig ook met den kijker van de vizierliniaal kan bepalen, zoo die er voor ingericht is (zie § 181), op verkleinde schaal af, dan heeft men punt 1 in teekening gebracht. Men gaat nu naar punt f, oriënteert op', punt B en brengt, evenals boven, punt 2 in teekening. Op deze wijze gaat men voort, tot de geheele veelhoek opgenomen is.

In plaats van telkens te oriënteeren op het vorige en te richten op het volgende hoekpunt, hetgeen alzoo neerkomt op het bepalen van de hoeken van den veelhoek, kan men ook hier de azimuthen der zijden bepalen door te oriënteeren met behulp van eene boussole. Daartoe is deze soms aan de vizierliniaal zoodanig bevestigd, dat de zijkant der liniaal de richting van den magnetischen meridiaan aangeeft, wanneer de punten der magneetnaald zich tegenover bepaalde merkstrepen bevinden. Plaatst men nu bij het oriënteeren den zijkant steeds langs dezelfde lijn op het planchet, en draait,het planchet zoodanig, dat de naald zich tegenover de bedoelde merkstrepen bevindt, dan zal de genoemde lijn steeds in de richting van den magnetischen meridiaan vallen en het planchet alzoo georiënteerd zijn. -.Zooals in § 131 is uiteengezet, komt deze wijze van oriënteeren vooral dan in aanmerking, wanneer de zijden van den veelhoek kort zijn.

De contröle is hier in hoofdzaak dezelfde als bij de opmeting met theodoliet of sextant; het laatste punt van den veelhoek moet samenvallen met het punt E op het planchet, en'zoo men het planchet in E opstelt/ en oriënteert met behulp van 3, dan moet, als men op D richt, de liniaal langs de lijn ED op het planchet vallen.

Nog op andere wijze kan men bij deze meting contröle verkrijgen. Kan men namelijk uit verschillende veelhoekspunten een zelfde punt van het terrein, bijv. een kerktoren of ander verheven punt zien, dan richt men daarop uit al die punten

Sluiten