Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

?i + ^2 = 360° — («i + «2 + /?2) (1)

en in de beide driehoeken AiA2P en A2A3P:

. _ AxAï> . AoAo . ,

8in<x2

Om uit deze beide vergelijkingen <pY en <|/2 op te lossen, stellen wij:

si» ft A2A3 A,A2 '

^—r = -^— • —-^ = tg A (3)

svny2 8in<x2 sm <*i

waarin alzoo A een bekenden hulpboek voorstelt, die men steeds kleiner dan 90° kan aannemen. Uit vergelijking (3) volgt dan:/ -

sm f2 — sin <px 1 — tg A sinty2-\- sin<pi 1 -j- ^ A'

of:

2 cos i(ty2-\-<Pi)sin\ity.2 — pt) <gr 45° — tg A 2 sm i(<f/2-f-Pi) cosi (fe—<px)~ l-\-tgiö°tgX '

of:

tg i — Pi) = tg i $2 + & (45° — A; ..... (4)

Aangezien i (fe + <Pi) volgens (1) bekend is, kan men uit (4) i (fe — <F\) berekenen, waarna men, door deze waarde bij i (fa + 9i) o'P te tellen of daarvan af te trekken, respectievelijk <b2 en <Pi vindt. Bij de aangenomen beteekenis der hoeken fi en in de figuur, zijn y>x en steeds kleiner dan 180°, en is dus \.(% — <px) steeds een positieve of negatieve scherpe hoek.

Nadat men <px en i(/2 berekend heeft, bepaalt men wederom de azimuthen van AXP en A3P:

UiP) = U1A2) + <p1,

en:

(ASP) = (A3A2) — f2, benevens de lengte dier lijnen:

AXP - — sm («i + «>,),

stnax ' x'

Sluiten