Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 147. Keuze der meting. Bij het vastleggen van eene reeks van punten aan een bekend net, heeft men eerst te kiezen tusschen de beide hoofdmethoden, namelijk de' vastlegging door middel van een net van driehoeken^, of wel de vastlegging van elk punt afzonderlijk. De eerste methode, waarbij de vast te leggen punten tot een driehoeksnet worden vereenigd, dat aan 2 of 3 punten van het groote net wordt verbonden, heeft het voordeel, dat de betrekkelijke ligging van de punten, die tot dezelfde groep behooren, goed bepaald is; daar staat echter tegenover, dat de punten, tot verschillende groepen behoorende, onderling slecht bepaald zijn, zooals dit bijv. in flg. 138 het geval is met de punten 2 en 4 ten opzichte van 5 en 8 en ten opzichte van 12 en 13; en zooals dit het geval zal zijn met de punten, die vastgesteld zijn aan een bepaalden driehoek ten opzichte van de punten, die aan een anderen driehoek verbonden worden.

Deze wijze van opmeting is dus goed toe te passen daar, waar betrekkelijk kleine deelen van het terrein afzonderlijk worden opgenomen, die dus door één detailnet kunnen overspannen worden, dat dan op de beschreven wijze aan het groote net verbonden wordt. Dit geval doet zich o. a. daar voor, waar iedere gemeente, zooals zulks in sommige landen geschiedt, afzonderkjk wordt opgenomen, zonder dat het verband met andere genieenten in acht genomen wordt.

Moet daarentegen de geheele opmeting een geheel vormen, dan kan men het verband van de verschillende deelen beter verkrijgen, door ieder punt afzonderlijk vast te leggen. Men moet dan echter zorgen, die punten niet alleen vast te leggen aan de punten van het groote vdriehoeksnet, maar ze tevens te verbinden aan de in de onmiddellijke nabijheid gelegen punten, die reeds vastgelegd zijn.

Een voorbeeld hiervan geeft fig. 147: A, B, G, D, E, F en 67 zijn de bekende punten van het groote driehoeksnet. Het punt 1 wordt nu vastgelegd aan de punten A, B, C, D en 67'; het punt 2 aan B, 0, D en 1; het punt 3 aan B, G, D en 2; het punt 4 aan D, C, 2 en 3; het punt 5 aan D, G, 2 en 4, enz. Zoo verder gaande, verbindt men de opvolgende punten steeds aan de omliggende punten van het groote net en de in de onmiddellijke nabijlïeid gelegen en reeds bepaalde punten van het detailnet, en verkrijgt daardoor eene goede verbinding van de punten zoowel aan het hoofdnet als onderling. Het verdere verloop van de meting, in fig. 147 voorgesteld, kan gemakkelijk uit de figuur worden nagegaan. De vastlegging

Sluiten