Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft plaats in de volgorde van de cijfers bij de punten geplaatst, door middel van de lijnen, gaande naar de hoofdpunten A, B, C, enz. en naar de detailpunten met een lager rangnummer.

Wat nu de bijzondere wijze van opmeting betreft, die men zal volgen, wanneer men elk punt afzonderlijk vastlegt, deze zal van verschillende omstandigheden afhangen; in de meeste gevallen zal echter de laatste weg, dus die met behulp van het vraagstuk van Snellius, de voorkeur verdienen en wel, omdat de punten van het groote driehoeksnet meestal torenspitsen zijn, van waaruit het dus zeer moeilijk", zoo niet onmogelijk is, de hoeken te meten en deze dan nog meestal gecentreerd moeten worden, waardoor de opmeting en berekening niet wéinig bemoeielijkt worden; hierbij komt nog, dat van uit het hooggelegen punt op den toren de vast te leggen punten op het terrein zeer moeilijk te zien zijn, aangezien deze zich tegen den grond projecteeren. Bij het meten van uit de vast te leggen punten is men daarentegen in zeer gunstige omstandigheden; mén kan die punten zoodanig kiezen', dat het instrument daar gemakkelijk opgesteld kan worden en dus het centreeren van de hoeken geheel ontgaan wordt, terwijl de hooggelegen torenspits zich meestal tegen de lucht zal projecteeron en daar zeer gemakkelijk kan worden waargenomen. Verder leeren uitvoerige beschouwingen, dat bij de verbinding aan een zelfde aantal gegeven punten, de vastlegging door meting in het vast te leggen punt meestal'nauwkeuriger is, dan door meting in de gegeven punten.

Dezelfde redenen, waarom de in § 142 beschreven wijze van meting achterstaat bij die van § 144, gelden in hoofdzaak ook voor de methode van § 146, alleen zal deze nauwkeuriger resultaten leveren bij een zelfde aantal gegeven punten; men moet daarbij echter niet uit het oog verliezen, dat, in een dergelijk geval, die wijze van meten ook dubbel zooveel arbeid vordert. Wil men haar met de andere vergelijken, dan moet men het aantal gegeven punten, waaraan het vast te leggen punt verbonden wordt, bij die van § 146 kleiner nemen dan bij die van § 144 en in dat geval zal de nauwkeurigheid van de vastlegging niet grooter zijn.

Blijkt uit het bovenstaande, dat de opmëting volgensSnellius in de meeste gevallen te verkiezen is, zoo neemt dit niet weg, dat zich gevallen kunnen voordoen, waarin men met vrucht de in § 142 beschreven wijze van meten en soms ook die van § 146 kan toepassen.

Sluiten