Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiehoek a de afstanden te berekenen, hetzij volgens de algemeene formule D = Ah cos2 <x-\-B cos *, of, zoo de kijker van eene centraliseerende lens voorzien is, met behulp van de eenvoudigere B = Ah cos2x. Door in de staten voor het aanteekenen der waarnemingen twee kolommen» de eene voor h, de andere voor D te bestemmen, kan die berekening onmiddellijk in die staten worden uitgevoerd en opgeteekend.

Het in teekening brengen geschiedt met een daarvoor bijzonder ingerichten op hoorn of stevig papier geteekenden transporteur* die in flg. 158 op de halve groote is voorgesteld. Het middelpunt van den transporteur wordt met behulp van eene fijne naald in het hoekpunt A, flg. 159% van waar uit de opmeting heeft plaats gehad, vastgezet; vervolgens wordt de zijkant AM gelegd langs de lijn AB, die op het terrein gediend heeft om de meting. te oriënteeren, en op de teekening een pijltje P gezet bij de aflezing, die men verkregen heeft bij het richten op B.

Dit pijltje dient nu als index bij het in teekening 'brengen van de opgenomen punten. Heeft men voor een punt 1, flg. 159b, een hoek van. bijv. 110" afgelezen en een afstand van 85 meter berekend, dan draait men den transporteur, totdat de aflezing 110° bij het pijltje P komt en zet langs den straal AM op den afstand van 85 meter, verkleind op de schaal van de kaart, het punt 1 uit. Op deze wijze worden nu achtereenvolgens alle punten uitgezet en het bijbehoorend nummer met potlood bijgeschreven. .•; .* -

De punten, waarbij men op den cirkelrand aflezingen heeft verkregen grooter dan 180°, zooals bijv. punt 2, flg. 159°, waar die aflezing gelijk aan 240° ondersteld is, worden in teekening gebracht langs den straal AN, die hiertoe eveneens verdeeld is. Om zich hierbij niet te vergissen, wordt soms de becijfering langs AN en de daarbij behoorende graad verdeeling 180°—360° in het rood aangegeven, terwijl die langs AM en de verdeeling 0°—180° zwart is.

Zijn op de beschreven wijze de punten in teekening gebracht, dan worden zij op de wijze, als in de schets is aangegeven, vereenigd en de opmetingen, die nog op de schets voorkomen, bijgeteekend. Eindelijk zal men de voor de contröle opgemeten lengten op de kaart nameten, en zoo deze daarmede overeenkomen, tot het verdere afwerken van de kaart kunnen overgaan.

§ 153. Detailmeting met het planchet. Bij de detailmeting met behulp van het planchet, moet men, indien de opneming

Sluiten