Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 167. Het uitzetten van cirkelbogen. Vaak komt het voor, dat bij den aanleg van straten, spoorwegen, kanalen, enz., rechte lijnen door cirkelbogen verbonden worden, om zoodoende verkeerswegen te vormen, waarvan de as in horizontale projectie eene vloeiende lijn is. Bij het uitzetten der cirkelbogen zal' men evenals bij rechte lijnen trachten, een zoodanig aantal punten op het terrein aan te geven, dat het beloop van den boog daardoor duidelijk zichtbaar wordt, en tevens het bepalen van verdere tusschenpunten later zonder groote berekeningen of constructie kan geschieden.

Aangezien het middelpunt van den boog niet op het terrein wordt aangegeven, zoo is het niet doenlijk, daarvan bij het uitzetten gebruik te maken; gewoonlijk zijn gegeven de richtingen der lijnen, die door den cirkelboog verbonden moeten worden, alsmede de straal van den boog. Ook hier wordt het beginsel van steeds van het groote in het kleine te meten, doorgevoerd, en zal men beginnen met de hoofdpunten (of hoofdrichtingen) op het terrein uit te zetten, om vervolgens ten opzichte hiervan de detailpunten, dat zijn de onderscheidene punten van den boog zei ven, te bepalen.

Bij de spoorwegen heeft men tusschen de rechte einden en de cirkelbogen overgangsb'ogen, waarbij de straal geleidelijk overgaat van oneindig groot tot de lengte van den straal van den cirkelboog. Dit is vooral noodig met het oog op de verhooging vanden buitenrail in een bocht; deze verhooging is namelijk omgekeerd evenredig met de lengte van den straal en kan dus bij een overgangsboog als boven bedoeld geleidelijk worden aangebracht. (*)

§ 168. Het uitzetten der hoofdpunten. Laten AB en' CD, fig. 165, de beide rechte lijnen voorstellen, die door den boog TiMT2 met een gegeven straal R moeten verbonden worden en die elk door twee punten op het terrein zijn aangegeven. De hoofdpunten van den boog zijn dan:

1°. het hoekpunt H, waarin de beide rechte gedeelten elkaar snijden;

2". de tangentenpunten 1\ en 1 \, die de aansluiting van den boog aan de rechte gedeelten bepalen, en waarin deze dus den boog aanraken;

3*. het midden M van den boog.

(*) Voor de oyergangsbogen wordt verwezen naar de taljellemverkjes op blz. 210 en 217 genoemd.

Sluiten