Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van bogen bestemd, vindt men de waarden van de grootheden (1), (2), (8), (5) en (6) voor verschillende grootten van den hoek en voor éép bepaalden straal (1 of 1000 M.) opgegeven, zoodat men slechts met den straal, die altijd een rond aantal meters bevat, te vermenigvuldigen heeft. De grootheid (4) vindt men daaruit eveneens door de waarde van (3) met den halven hoek op te zoeken.

Kan men van het hoekpunt H geen gebruik maken, dan moet de grootte van den middelpuntshoek * door eene indirecte meting bepaald worden. Men neemt dan op ieder van de gegeven lijnen AB en CD een punt, bijv. B en D, aan. Met behulp van een theodoliet worden in deze punten de hoeken ABD en BDC gemeten. De supplementen dezer hoeken geven dan de hoeken B en D van A BDH. Meet men nu de lengte van BD, die om nauwkeurige uitkomsten te krijgen niet te klein moet zijn, dan zijn in A BDH eene zijde en twee aangrenzende hoeken bekend. De middelpuntshoek « en de afstanden HB en HD kunnen dus direct berekend wörden uit de formules:

a«= 180°—f = B-\-D,

u sinD

BB = BD — , en

sin «

HB^BD^-.

sin tx

Om nu de plaats der twee tangentenpunten 1\ en T2 te bepalen, zet men van uit de punten B en D de afstanden:

Bl\ = Hl\ — HB = Rtg 1« — HB,

en:

Dl\ = HD — HT2 = HD — Big | <x

uit, waarna het midden M van den boog volgens een van de hiervoren beschreven methoden kan gevonden worden. - Mocht men op de lijnen AB en CD geen twee punten kunnen vinden, die onderling zichtbaar zijn, zoo legt men tusschen 2 punten B en D dier lijnen een veelhoek, waarvan men de zijden en de hoeken meet. Op de in § 166 vermelde wijze vindt men

0. Sabrazix und Oberbeck. Tasclienbuch zum Abstecken von Kreisbögen mit und ohne Uebergangscurven für Eisenbahnen, Strassen und Kanftle. 25e Aufl. Berlin. 1911.

Sluiten