Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden opgeteekend, voor het geval bij de meting over eene boussole kan worden beschikt. Gesteld, dat men de meting in A in de richting AB wenscht te beginnen, dan zal men eerst , de azimuthen der 3 in A uitkomende wegen bepalen en_ vervolgens de lijn AB afpassen, daarbij bijv. de as van den weg volgende. Van alle op AB, uitkomende wegen, slooten, heggen, perceelscheidingen, enz., neemt men onderweg de azimuthen op, benevens de afstanden hunner'snijpunten met de as AB van den weg tot het uitgangspunt' A. Van terrein voorwerpen,' buiten de meetlijn AB gelegen, raat men op het oog loodlijnen op AB neer, bepaalt de afstanden der voetpunten dezer lood-lijnen tot het punt A en schat of past af de lengten dier loodlijnen, benevens de afmetingen van het terreinvoorwerp. De ligging van voorwerpen, die verder van AB zijn afgelegen, kan men ook vinden door van uit 2 punten der lijn AB (of van andere meetlijnen) daarop te richten. Van kromlijnige grensscheidingen, zooals bijv. de vaart KL, meet men het azimuth der koorde KL en schat of meet daarbij den pijl van de kromming. Op overeenkomstige wijze worden tegelijk met het afpassen van AB alle( in de nabijheid der lijn AB gelegen voorwerpen opgenomen. Is de lijn AB zeer lang, zoo verdient het aanbeveling, van tijd tot tijd opnieuw het azimuth dier lijn op te nemen.

Treft'men, zoo voortgaande, op een geschikten afstand van A een dwarsweg BC aan, zoo slaat men dezen in, na daarvan in B het azimuth bepaald te hebben, en meet, evenals niervoren voor de lijn AB is beschreven, alle terrein voorwerpen, die men tegenkomt, ten opzichte van deze lijn als meetlijh op. .Hetzelfde heeft plaats voor de lijnen CD, DE, EA, diè den eersten gesloten veelhoek, waarvan hierboven sprake was, voltooien, In het punt E aangekomen, heeft men natuurlijk de contróle, dat de afgepaste afstand EA en het gemeten azimuth dier lijn moeten overeenkomen met hetgeen de teekening daarvoor aangeeft. Nadat men zoodoende den veelhoek is rond gewéést en alles heeft opgemeten, wat in de onmiddellijke nabijheid der zijden lag, zal men nu eerst het binnenste van den veelhoek bijwerken, daarbij eventueel van open hulp veelhoeken gebruik makende, die aansluiten aan den hoofdveelhoek. Op overeenkomstige wijze wordt nu een tweede veelhoek onderhanden genomen, die tegen den veelhoek ABCDE aansluit, enz.

Zooals reeds gezégd is, moet van het opgenomene nauw- A keurig aanteekening worden gehouden en wel zoodanig, dat iemand, die niet bij de opneming tegenwoordig is geweest,

Sluiten