Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXII.

WATERPASSEN.

§ 192. Beginsel. Zooals reeds in § 178 verklaard is, geschiedt het bepalen van het hoogteverschil van twee punten A en B, flg. 193, door waterpassing op de volgende wijze. Nadat op beide punten de waterpasbaken AE en BF geplaatst zijn en het waterpasinstrument in C is opgesteld, richt men den kijker op de eerste baak en leest daarop, bij inspelende bel, bij het punt E den afstand AE=k af. Vervolgens richt men op'de tweede baak en leest daarop weer bij inspelende bel bij het punt F den afstand BF= l af. Het verschil k — l geeft dan aan, hoeveel het tweede punt (5) hooger dan het eerste (4) ligt.

Hierbij wordt blijkbaar van de veronderstelling uitgegaan, dat het horizontale platte vlak, waarin zich de vizierlijn van het geregelde waterpasinstrument beweegt, geacht mag worden een waterpasvlak te zijn en dat de punten van de baken, waarop zich de horizontale draad achtereenvolgens projecteert, in dit horizontale vlak zijn gelegen. Ten gevolge van de aardkromming en van de straalbuiging is echter geen van beide onderstellingen volkomen juist; in de beide volgende paragrafen zullen wij daarom eerst de invloeden van beide oorzaken op de baakaflezingen nagaan.

§ i93- Aardkrómming. Ten gevolge van den gebogen vorm der aarde zijn de niveauvlakken geen platte vlakken maar gebogen vlakken, waarvoor wij met voldoende benadering kunnen

Sluiten