Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meter de invloed der aardkromming beneden een millimeter blijft, maar bij grootere afstanden zeer snel toeneemt en spoëdig meer dan een millimeter bedraagt.

§ 194. Straalbuiging. Tot dusver onderstelden wij, dat de lichtstralen in de lucht rechte lijnen doorloopen, zoodat de punten E en F, flg. 194, waarin wij" op de baken aflezen, gelegen zijn in het horizontale platte vlak, dat door de vizierlijn gaat. In werkelijkheid is echter de lucht, waardoor de lichtstralen tot ons komen, geen homogene middenstof, maar bestaat zij, indien zij volkomen in evenwicht is, uit concentrische lagen, die eene des te mindere dichtheid bezitten, naarmate zij hooger gelegen zijn. Een gevolg hiervan is, dat de lichtstralen niet in rechte lijnen tot ons komen, maar volgens gebogen lijpen en wel volgens lijnen, die in verticale vlakken gelegen zijn en den hollen kant naar de aarde keeren, zoodat alle voorwerpen schijnbaar hooger gelegen zijn dan in werkelijkheid plaats heeft.

De invloed van de straalbuiging is niet altijd even groot, maar naarmate de verandering van de dichtheid der lucht van de eene tot de andere laag grooter of kleiner is, ten gevolge van eene verandering in de luchtdrukking of in de temperatuur, zijn ook de lichtstralen meer of minder gekromd; zoo is na een helderen nacht en bij een onbewolkten hemel, als de onderste luchtlagen sterk zijn afgekoeld, de straalbuiging op haar grootst, maar neemt bij het warmer worden dier luchtlagen af, totdat zij in den namiddag een minimum bereikt; zij wordt dan weer grooter en blijft toenemen tot na het 'ondergaan van de zon.

Op een dag daarentegen, waarop de hemel voortdurend bewolkt is, en waarop er dus weinig verandering in de temperatuur plaats heeft, verandert de straalbuiging ook slechts zeer weinig.

Een tweede verschijnsel, dat met de straalbuiging in zeer nauw verband staat, is de zoogenaamde deining of onrust der beelden. Als de luchtlagen zich niet in een evenwichtstoestand bevinden, dan zullen bij de beweging, die de lucht ondergaat, de van een zeker voorwerp tot ons komende lichtstralen telkens door luchtlagen van andere dichtheid heengaan-en daardoor dus telkens anders gebroken worden, hetgeen zich voor het oog voordoet, alsof dat voorwerp zich in eene snelle op- en neergaande beweging bevindt, 's Ochtends, als de onderste luchtlagen sterk zijn afgekoeld, heeft men een sterke deining, die echter langzamerhand afneemt, doordat de zon de onderste luchtlagen verwarmt, totdat gedurende eenige oogenblikken een

Sluiten