Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moet het hoogteverschil van de punten A en B, flg. 195, bepaald worden, dan neemt men eenige tusscheDpunten C, D, E, F, enz., aan; bepaalt dan achtereenvolgens de hoogteverschillen van A en C, C en D, D en E, enz., tot men eindelijk in B komt. De algebraïsche som van al die hoogteverschillen geeft dan het hoogteverschil van A en B.

De tusschenpunten C, D, E, enz., kunnen meestal willekeurig gekozen worden; men moet er echter voor zorgen, dat beide keeren, dat men op dezelfde baak afleest (bijv. op de baak in C van uit Gr en H), het voetpunt van de baak juist op dezelfde hoogte staat. Daartoe slaat men een houten piketpaaltje in den grond en plaatst de baak daarop. Gemakkelijker nog is het in flg. 196 voorgestelde waterpaspiket, zijnde een zware ijzeren bout, die van boven bolvormig is afgerond, opdat de baak daarop geplaatst zich steeds op hetzelfde punt zou bevinden. De aan het piket verbonden beugel, die, als de baak op het piket zal geplaatst worden, omgeslagen wordt, dient om het piket uit' den grond te halen en gemakkelijk te kunnen meenemen.

Het bepalen van het hoogteverschil van twee opvolgende tusschenpunten noemt men een slag; de baak en het piket, die zich daarbij vóór het instrument bevinden in de richting, waarin men waterpast, worden vóórbaak en vóórpiket genoemd; de andere achterbaak en achterpiket.

§ 197. Voorzorgen bij de aaneengeschakelde waterpassing.

Aangezien de fouten, bij de verschillende slagen begaan, zich, alle ophoopen in het eindresultaat, zoo moet men zorgen alle fouten en vooral die, welke steeds in denzelfden zin voorkomen, zoo goed mogelijk te elimineeren of te voorkomen.

Vooreerst moet men zorg dragen voor het nauwkeurig wegnemen'van de parallax in den kijker. Wanneer men uit het midden waterpast, lette men er vooral op de oculairbuis gedurende^ een slag niet te verplaatsen (verg. § 7 en § 177); terwijl men, wanneer eenmaal de parallax goed is weggenomen en de afstand tot de baken dezelfde blijft, goed doet noch de oculairbuis, noch het oculair te verplaatsen. (*)

(*) Een ongeoefend waarnemer vooral is allicht geneigd, wanneer ten gevolge van verschil in de verlichting de baak minder duidelijk lijkt, de oculairbuis i'n of uit te draaien om scherper te zien; is eenmaal de küker goed gesteld, zoo is dit uit den aard der zaak geheel verkeerd. Heeft de helper, van wien in §198 sprake is, een anderen afstand van duidelijk zien dan de waarnemer en zou deze dus om scherp te zien het oculair in of uit moeten schuiven, zoo beperke d'; helper zich tot het controleeren van de aflezing in centimeters.

Sluiten