Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niveau voorzien, zoo kan men de baken in de richting van den waarnemer beurtelingé een weinig voor- en achterover laten hellen; de kleinste aflezing, die men daarbij bij inspelende bel waarneemt, komt dan met den verticalen stand overeen. 'Men kan ook de baken opstellen met behulp van drievoeten, zooals in flg. 196 is aangegeven. Aangezien dan zelfs bij sterken wind de baak onbeweeglijk staat, kan de aflezing met meer juistheid en veel vlugger gesehieden. Voor het gebruik van den drievoet (*) wordt aan het boveneinde van de baak volgerïs de lengteas eene ijzeren stang aangebracht, die met eenige speling past in eene opening in eene ijzeren plaat, welke den kop vormt van den drievoet. De drievoet wordt' opgesteld bovèn de plaats, waar het piket staat; de stang wordt door de opening gestoken en de baak met behulp van schietlood of niveau door verplaatsing van de beenen van den drievoet verticaal gesteld; voor kleine vérplaatsingen door verschuiving van het ondervlak van de baak over het piket.

Verder moet de bel op het oogenblik, dat de baak wordt afgelezen, zuiver inspelen. Daar eene verandering van standplaats bij het instrument meestal voldoende is, om de bel te doen uitwijken, is het noodig,' dat een tweede persoon de bel doet inspelen op het oogenblik dat de eerste afleest, tenzij, zooals bij sommige instrumenten het geval is, boven of-terzijde van het niveau een spiegeltje is aangebracht, dat den voor het oculair staanden waarnemer in staat stelt, de bel zelf te doen inspelen, zonder zijne standplaats te verlaten. Om ontregeling van het instrument ten gevolge van eenzijdige verwarming door de zon zooveel mogehjk te voorkomen, is het bij nauwkeurige metingen ook zeer gewenscht, om kijker en niveaudoor een scherm tegen de directe inwerking der zonnestralen te 'beschutten.

Ten slotte heeft men nog te letten op eene geschikte keuze van den afstand tusschen baak en instrument; men moet dezen niet al te groot nemen, omdat het anders niet meer mogelijk is met voldoende nauwkeurigheid op de baak waar te nemen. Bij een goed waterpasinstrument stelt men dien afstand het best, zoo het terrein zulks toelaat, op hoogstens 100 meter; bij instrumenten met een minder goeden kijker of met een niet al te gevoelig niveau, moet men hem echter geringer, bijv. op

(*) De inrichting in flg. 196 voorgesteld, is ontworpen en toegepast door den Ingenieur van de Gemeentewerken te Rotterdam W. Cool naar aanleiding van een artikel van J. J. Buddisqh in het weekblad De Ingenieur n°. 31 van 4 Augustus 1900.

Sluiten