Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogstens 50 méter, stellen. Ten gevolge van de onrust, der beelden, die zich soms op een afstand van 100 meter reeds, zeer hinderlijk voordoet, is men dikwijls genoodzaakt, ook bij oen goeó\ instrument, de slaglengte in te krimpen.

§ 198. Uitvoering van de aaneengeschakelde waterpassing.

Bij de uitvoering van eene eenigszins aanzienlijke waterpassing heeft men behalve het waterpasinstrument noodig: twee waterpasbaken, twee waterpaspiketten, een hamer voor het inslaan der piketten en een meetband met de noodige pennen voor het uitzetten der afstanden. Dient de waterpassing slechts ter bepaling van de betrekkelijke hoogteligging van eenige punten (overbrenging van het peil) en heeft men geen belang bij de kennis van rAmne onderlinge afstanden, dan kan men — zoo het waterpasinstrument nauwkeurig geregeld is of de regelings, fouten door eene tweede meting telkens geëlimineerd worden -de afstanden van de baken tot het instrument ook voldoende nauwkeurig door afpassing bepalen. Verder moet men beschikken over minstens drie helpers, waarvan er twee, die den naam van baakhouders dragen, hoofdzakelijk belast zijn met de behandeling der baken en het uitzetten der afstanden, terwijl de derde den waarnemer behulpzaam is bij het dragen van het instrument, het doen inspelen van de bel, het controleeren — althans in decimeters en centimeters — van de aflezing, enz.

Uitgaande van het punt A, flg. 195, wordt een afstand AG van bijv. 100 meter afgemeten en daar het instrument opgesteld, nogmaals 100 meter verder in C wordt een waterpaspiket ingeslagen en daarop evenals op het punt A een baak geplaatst, die door den baakhouder verticaal gehouden wordt.

Met behulp van het instrument, dat men ondertusschen in G heeft opgesteld, wordt nu achtereenvolgens telkens bij inspelende bel eerst op de achterbaak A en daarna op de voorbaak G afgelezen. Het verschil dezer twee aflezingen geeft dan de hoogte van het voorpiket C boven het punt A. Meestal zal men om vergissingen te voorkomen op beide baken tweemaal aflezen, welke aflezingen dan natuurlijk overeenkomstige uitkomsten moeten opleveren. Voor die tweede aflezing is het goed het instrument op 'te nemen en opnieuw op te stellen, zoodat het iets hooger of iets lager komt te staan, om daardoor bij andere verdeelingen op de. baak af te lezen. Geven de beide aflezingen slechts weinig verschillende hoogteverschillen, dan wordt daaruit het gemiddelde genomen.

Is de meting van uit G afgeloopen, dan legt de baakhouder

Sluiten