Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij C zijne baak bij het piket neer en is evenals de andere baakhouder, die zijne baak medebrengt, behulpzaam bij het meten van de volgende afstanden CH en HD, zoo deze meting met denmand geschiedt. De baakhouder, die vroeger in C was, gaat naar dat punt terug en plaatst zijne baak weer op het piket, de andere slaat in D een piket en plaatst daarop de baak, die zich vroeger in A bevond en dus nu voorbaak wordt.

Is de meting van uit H afgeloopeh, dan neemt de baakhouder in C het piket uit den grond, om het weer in het punt E te bezigen en er zijne baak op te plaatsen.

Op deze wijze voortgaande, komt men eindelijk tot het laatste tusschenpunt F; daar laat men den afstand FB opmeten, plaatst het instrument op de helft van dien afstand en meet nu weer het hoogteverschil van F en B. waarna de meting is afgeloopen.

§ i 99. Controle op de waterpassing. Eene eigenlijke contróle op de waterpassing heeft men slechts dan, wanneer men bij het einde van de waterpassing op het uitgangspunt terugkomt (kringwaterpassing) of indien men verder waterpassende sluit op een punt, waarvan het hoogteverschil met het uitgangspunt bekend is. In alle andere gevallen heeft men geen contröle en kan men dus nooit op eene enkele waterpassing vertrouwen, maar moet men steeds eene tweede verrichten, hetzij in dezelfde richting, hetzn' in tegengestelde richting (terug-waterpassing).

Bij.eene eenigszins uitgestrekte waterpassing is het zaak om van afstand tot afstand vaste punten, zooals bijv. den bovenkant van een steenen plint of van den dorpel Van eene deur of van een raam, of de in § 201 te beschrijven kruishouten,, als tusschenpunten aan te nemen. Hierdoor bereikt men vooreerst het voordeel, dat, als de waterpassing op de eene of andere wijze in het ongereede mocht geraken, men niet noodig heeft van het beginpunt af opnieuw te waterpassen, maar bij het laatste vaste punt kan beginnen. Neemt men ook bij de tweede waterpassing diezelfde vaste punten in de waterpassing op, dan kan men, zoo de twee metingen niet met elkaar sluiten, onmiddellijk nagaan, tusschen welke, van de vaste punten de fout begaan is, en heeft men dus alleen dat gedeelte van de waterpassing te herhalen,1 om de fout te herstellen.

§ 200. Tereffening der fouten. Is van eene aaneengeschakelde waterpassing het hoogteverschil tusschen het begin- en het eindpunt bekend (bij eene kringwaterpassing is dit natuur-

Sluiten