Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal" men telkenmale de hoogte van de vizierlijn boven den grond meten, om daardoor ook de hoogtqn van de punten' H, K, L, M, N, 0, enz., flg. 208, boven bet aangenomen peil te vinden. Telt men namelijk bij de gevonden hoogte van het voorpiket boven het peil de op de voorbaak afgelezen hoogte op, dan vindt men de hoogte van de vizierlijn boven het peil; trekt men hiervan de hoogte van de vizierlijn boven den grond af, dan heeft men de hoogte van de standplaats van het instrument boven het peil. *> jiio-

Op deze wijze vindt men de hoogten van de punten A, H, B, K, G, L, D, M, E, N, F, 0, G, enz., boven het peil, terwijl met behulp van den band hunne onderlinge afstanden gemeten worden, waardoor dus die punten gemakkelijk in teekening kunnen gebracht worden. Voor dit in teekening brengen is het gemakkelijk, dat de afstand van baak en instrument steeds een zelfde rond aantal meters, bijv. 100 of 50, bedraagt, zoodat men niet dan bij uiterste noodzakelijkheid daarvan afwijkt.

Gaat men op deze wijze te werk, dan moeten punten, zooals a, b en c, die voor het lengteproflel van veel belang zijn, omdat daar de helling van het terrein verandert, als tusschenpunten worden opgenomen, door daar even eene baak te plaatsen en daarop af te lezen; trekt men die aflezingen van de hoogte van de overeenkomstige vizierlijn boven het peil af, dan vindt men de hoogten van die punten boven het peil. De plaats van die punten in horizontalen zin wordt bepaald door hun afstand tot, aan het instrument te-meten.

Op dergelijke wijze worden ook alle andere punten bepaald, die niet -direct tot het lengteproflel behooren, maar toch voor het doel, dat met de geheele meting beoogd wordt, van nut kunnen zijn.

Het opnemen van de dwarsprofiel«i geschiedt, zoo zij niet al te uitgebreid zijn, gelijktijdig met de opmeting van hét lengteprofiel door eene waterpasbaak achtereenvolgens op de verschillende óp te nemen punten te plaatsen en daarop met het instrument, dat nog op eene standplaats van het lengteprofiel staat, te richten en af te lezen. Door deze aflezingen van de hierboven bepaalde hoogte van de vizierlijn boven het peil af te trékken, vindt men de hoogten dezer punten boven het peil. Hunne plaats in horizontalen zin wordt bepaald door hét meten van hunne afstanden tot aan het lengteproflel.

Zijn de dwarsprofielen te uitgebreid om op deze 'wijze opgenomen te kunnen worden, dan slaat men bij het opnemen van het lengteproflel houten piketten in den grond ter plaatse, waar

Sluiten