Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dwarsprofielen genomen moeten worden en bepaalt daarvan de hoogten. Na de opmeting van het lengteprofiel worden dan de dwarsprofielen opgenomen, óp de wijze als boven voor het lengteproflel is aangegeven en waarbij telkens wordt uitgegaan van de even vermelde houten piketten.

§ 208. Overbrengen van het peil over breede rivieren. Bij

het overbrengen van het peil over eene breede rivier kan men niet meer door korte slagen en-gelijke afstanden voor en achter het instrument, de fouten Van het instrument en de invloeden van aardkromming en straalbuiging elimineeren. Daar bij de groote afstanden, die men hierbij kan aantreffen, die invloeden zich zeer sterk doen gevoelen, zoo moet men bijzondere voorzorgen nemen, om al die invloeden zoo goed mogelijk te elimineeren.

Moet het peil overgebracht worden van het piket A naar het piket B, fig. 204, en kan men ergens ongeveer midden in de rivier bij C op een eiland, eene zandbank of iets dergelijks eéne baak- aanbrengen, dan kan men daardoor de afstanden aanmerkelijk verkorten en de fouten elimineeren door twee slagen te nemen, waarbij de afstanden bij omkeering gelijk zijn. Kiest men namelijk de plaatsen D en E voor het instrument en de plaatsen A en B voor de piketten zoodanig, dat BC = GE en AD = EB is, dan zal men, bij de meting uit B, eene groote fout bij de aflezing op de voorbaak, bij de meting uit E eene even groote fout bij de aflezing op -de achterbaak maken; deze twee fouten heffen elkaar dus op. Dit opheffen van de fouten heeft, voor zooverre betreft den invloed van de aardkromming, altijd plaats; voor de fout van het instrument en van de straalbuiging, alleen onder voorwaarde, dat de fout van het instrument dezelfde gebleven is, en dat de coëfficiënt van de straalbuiging tusschen de metingen in D en in E niet veranderd is. Daarom moet men dus zorgen, dat het instrument zoo voorzichtig mogelijk wordt overgebracht, en dat de waarnemingen zoo kort na elkaar plaats hebben, dat men mag veronderstellen, dat de straalbuiging tusschentijds niet veranderd is.

Kan men aan deze laatste voorwaarde niet voldoen, doordat het water te breed is, of doordat bij de overvaart moeilijkheden ondervonden worden, dan moet men zijne toevlucht nemen tot gelijktijdige waarnemingen. Door twee verschillende waarnemers worden de waarnemingen in D en in E gelijktijdig met twee verschillende instrumenten gedaan, waardoor dus zoo goed mogelijk de invloed van de straalbuiging wordt geëlimineerd,

Sluiten