Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

TRIGONOMETRISCHE HOOGTEMETING.

§_204. Trigonometrische hoogtemeting op korte afstanden.

Zijnde punten A en B, fig. 206, waartusschen het hoogteverschil gemeten moet worden, in horizontalen zin zoo dicht bij elkaar gelegen, dat men van de aardkromming en van de straalbuiging (zie § 194) mag afzien, dan is het waterpasse vlak van A een plat vlak, dat het door A en B gaande verticale vlak volgens AB snijdt. De afstand BB' — h van het punt 13 tot dat waterpasse vlak is het gezochte hoogteverschil. Bepaalt men nu, hetzij door directe meting of als dit niet mogelijk is, hetgeen meestal het geval zal zijn, door driehoeksmeting, den horizontalen afstand AB' en door meting met een van de vroeger behandelde instrumenten den elevatiehoek BAB' = e van den lichtstraal BA, "dan vindt men voor het hoogteverschil onmiddellijk uit de figuur:

h — atge . . . Hf)

Meestal is het niet mogelijk het instrument, waarmede de elevatiehoek gemeten wordt, juist te plaatsen in het eene punt en daarmede op het andere punt te richten. De hiervoor aan te brengen correctie kan gemakkelijk bepaald worden. Zijn P en Q, fig. 207, de punten, waarvan men het hoogteverschil QQ' wil kennen, en heeft men het instrument in A op eene hoogte k boven het punt P geplaatst en gericht op het punt B, op eene hoogte l boven Q gelegen, dan geeft bovenstaande formule het hoogteverschil BB' van de punten A en B. Uit de figuur volgt dan onmiddellijk voor het hoogteverschil QQf-.

Q.Q' = BB' -\-k — l = atg e + k—l, (2)

zoodat de aan te brengen correctie gelijk is aan k — l.

Sluiten