Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen zij dit niet, dan geeft hun verschil de correctie aan, die aan de aflezingen van de oene aneroïde moet aangebracht worden om deze vergelijkbaar te maken met de aflezingen óp de .andere. Wanneer men 'savonds thuis komt, worden de twee aneroïden weer samen vergeleken, om zich te overtuigen, dat de correctie onveranderd gebleven is.

De waarnemingen, die op de verschillende punten van het terrein zijn verricht, zijn opgeteekend met den thd, waarop zij gedaan zijn. Met behulp van dien tijd kan men dan uit de waarnemingen met de standaneroïde, desnoods door interpolatie, de correspondeerende barometerstanden vinden.

Is op het terrein geen genoegzaam aantal punten van bekende hoogte aanwezig, dan moet men de hoogten voor de standplaatsen van de standaneroïde, door de aneroïdemeting zelf bepalen. De bepaling van deze hoofdpunten van de meting moet 'echter nauwkeuriger geschieden dan die van de overige punten en daarom moét men hiertoe onderscheidene aflezingen doen. Men richt de meting dan als volgt in. 's Ochtends bij het vergelijken van de twee aneroïden spreekt men af, waar het volgende hoofdpunt zal gelegen zijn, en wanneer de waarnemer met den veldbarometer daar zal aankomen. Deze begeeft zich dan op weg, neemt de noodige punten op en zorgt vóór of op den bepaalden tijd in het bepaalde punt te zijn. Daar aangekomen, wordt zijne aneroïde standaneroïde en .wordt om de tien minuten afgelezen. De waarnemer met de vroegere standaneroïde blijft nu nog eenigen tijd waarnemen, tot hij minstens drie gelijktijdige waarnemingen, met tusschenpoozen telkens van 10 minuten, met de nieuwe standaneroïde heeft en gaat dan op weg, hetzij direct naar het volgende hoofdpunt, hetzij tot het doen van waarnemingen op tusschenpunten, al naar men heeft afgesproken. Op het hoofdpunt aangekomen, worden de twee aneroïden weer met elkaar vergeleken, waarna men van uit dat nieuwe punt weer op dezelfde wijze kan voortmeten.

Daar de bepaling van de hoogteverschillen, der hoofdpunten door drie gelijktijdige waarnemingen geschiedt, zullen ze natuurlijk nauwkeuriger dan die der nevenpunten bepaald worden. Men moet echter steeds zorgen de ophooping van fouten zooveel mogelijk tegen te gaan, door zooveel als het kan aan punten, waarvan de hoogten nauwkeurig bekend zijn, aan te sluiten.

§ 216. Uitvoering der meting met één aneroïde. Aangezien men bij de meting met één aneroïde telkens na een niet

Sluiten